Stoicijnse uitdaging_cc flickr_vhines200
Beeld door: vhines200

Waar sta je elke ochtend voor op? Is dat genot, geluk of vrijheid? In onze maatschappij lijkt het erop dat consumeren en het bijbehorende genot primair is. We werken om geld te verdienen om te kunnen consumeren. Natuurlijk willen we ons ook daarin ontplooien, maar of daar veel van terecht komt is de vraag. Want tegelijkertijd zijn we ook in het werk de gevangene van protocollen, systemen en hiërarchie. Daardoor is het maar de vraag hoe zinvol dat werk, binnen de resterende vrijheid, dan nog is. Tegelijkertijd leidt al dat produceren en consumeren tot, onder meer, uitputting van grondstoffen, tot een groot klimaatprobleem en een verstoorde relatie met de natuur. We hebben een te grote ecologische voetafdruk om zo door te kunnen gaan.

De stoïcijnen dagen ons uit om hier kritisch naar te kijken. Naar de vraag wat de zin van het leven is en of we wel voldoende respect hebben voor de aarde en onze medebewoners. Of we ons niet tot slaaf maken van allerlei systemen, alleen maar om te kunnen blijven consumeren.

Het stoïcijnse denken biedt een aantal gedachten die een inspiratiebron zouden kunnen zijn voor het op zoek gaan naar een uitweg uit deze vicieuze cirkels. De stoïcijnen hechten juist niet aan materiële goederen en genot, maar stellen de morele invalshoek voorop. De ethiek kan zo worden beschouwd als het scharnier dat de verbinding vormt tussen de verbondenheid met de volgende generaties en de aarde enerzijds en de eigen zin van het leven anderzijds.

De Stoa is een filosofische school die in Griekenland ontstond. Stichter was Zeno van Krition (336-262). Zeno had toen hij de school stichtte, geen geld voor een gebouw. Hij gaf daarom al wandelend les, in de schaduw van een beschilderde zuilengalerij. Het Griekse woord voor dak of zuilengalerij is ‘stoa’. De Romeinse Stoa bouwde voort op het denken van de Griekse Stoa. De belangrijkste vertegenwoordigers hiervan zijn Lucius Annaeus Seneca (4 v. Chr. – 65 n. Chr.), Epictetus (55-138) en Marcus Aurelius (121-170). Dit artikel is voornamelijk gebaseerd op het denken van de Romeinse Stoa. Door middel van citaten van de stoïcijnen wordt hun insteek in dit artikel getoond.

Het uitgangspunt van dit artikel is dat we in onze maatschappij dringend moeten consuminderen en daardoor onze behoeftes moeten beperken. Het denken van de stoïcijnen laat zien dat het vooropstellen van de behoeftebevrediging en zelfs het creëren van behoeftes ons niet gelukkig maakt. Zij pleiten juist voor het primaat van het morele. Pas als we ons leven op een morele wijze vormgeven is gemoedsrust en daardoor ook echt geluk mogelijk. Deze denkwijze kan een vruchtbare invalshoek vormen voor het beantwoorden van de vraag hoe wij samen in de richting van een duurzame samenleving kunnen gaan en tegelijkertijd een morele ontwikkeling door kunnen maken. Zowel op het maatschappelijke als op het persoonlijke vlak. We worden uitgedaagd door de stoïcijnse filosofie om onze uitdagingen op een stoïcijnse wijze aan te pakken. Pakken we deze handschoen op? De stoïcijnse uitdaging, wordt dat onze uitdaging?

Genot

Het eerste antwoord op de vraag naar waarom je elke ochtend uit je bed komt is je behoefte aan genot, of eigenlijk aan het komen van middelen om te kunnen genieten. En dan wel met name het genot dat het consumeren van alles en nog wat kan opleveren. Daar is geld voor nodig en om dat te verdienen kom je uit je bed.

Genot houdt bijvoorbeeld in leuke dingen doen, lekker eten en genieten van een zorgeloos bestaan. Dit krijg je over het algemeen niet zomaar in de schoot geworpen, het vraagt al te vaak de nodige inspanning en afzien voordat je over de middelen en de tijd hiervoor beschikt. Maar als stip op de horizon, die soms even werkelijkheid wordt, is het een lonkend perspectief. Maar genot is kortstondig, verdwijnt weer en kan ten koste gaan van de ander. Denk aan leedvermaak. Bovendien bedreigt het genot je vrijheid doordat het afhankelijk is van externe factoren. Je maakt jezelf daarvan afhankelijk.

Schuw het genot!

“Wie genot najaagt geeft daaraan voorrang boven alles. Het eerste wat eraan gaat is zijn vrijheid. Die offert hij op aan zijn buik. En daar koopt hij geen genot voor, nee, hij verkoopt iets aan dat genot. Zichzelf.” (Seneca, 2013, 37)

Dit besef nodigt uit tot een kritische reflectie over het genot. Is het niet veel te vluchtig om het belangrijk te vinden? Natuurlijk is een zeker minimaal bestaansniveau een voorwaarde voor een goed leven, maar wordt de hoogte hiervan niet overschat? Laat staan dat de schaduwkant van het willen consumeren, namelijk je afhankelijk maken van een organisatie of instantie die voor je geld moet zorgen om te kunnen consumeren, al te vaak over het hoofd wordt gezien. We moeten toch allemaal werken is de vaak onbereflecteerde vanzelfsprekendheid. Je verkoopt jezelf daardoor ongemerkt voor het genot!

Vrijheid

Of is het dan de vrijheid, om te doen en te laten wat je wilt, om jezelf te zijn? Draait het hierom in het leven? Maar waar gaat het om als je praat over vrijheid? Is vrijheid iets dat je krijgt, dat je kunt bezitten, maar ook kwijt kunt raken? Of ben je vrij?

Vrijheid als iets onvervreemdbaars, als een manier van leven, van beschouwen, van betekenis geven aan het leven. Ook kan er een onderscheid worden gemaakt tussen negatieve vrijheid, dat wil zeggen het vrij zijn van … bijvoorbeeld vrij zijn van dwang, van beperkingen, van ziektes, en positieve vrijheid dat betekent vrij zijn tot …., de daadwerkelijke mogelijkheid om te kiezen en het eigen leven in te richten.

Kortom wat is vrijheid eigenlijk? En kan vrijheid ook niet negatief uitpakken in moreel opzicht? Een belangrijke vraag. Vrijheid zou ook kunnen worden omschreven als willen wat kan. Meer vrijheid is dan mogelijk als er meer kan en/of je minder wilt. Daar waar we geneigd zijn om onze vrijheid te vergoten door meer mogelijkheden te creëren, zodat er dus meer kan, is het daarentegen even goed mogelijk om onszelf te trainen minder te willen. Ook dat maakt vrij. Op deze laatste mogelijkheid wijzen de stoïcijnen nadrukkelijk.

“Ieder mens is in de macht van degene die de mogelijkheid heeft om hem te laten krijgen of hem af te nemen wat hij wel of niet wil. Wie dus vrij wil zijn, moet niets willen of ontvluchten wat in de macht van anderen is; anders word je onvermijdelijk een slaaf.” (Epictetus, 2011, 334)

Als een mooie auto, een prachtig huis en vakanties naar verre oorden cruciaal voor je zijn dan vraagt dat om de nodige inkomsten. Inkomsten waarvoor meestal gewerkt moet worden en dat betekent een grote afhankelijkheid daarvan, inclusief de bijbehorende angst dat dit weg kan vallen. Dat betekent niets anders dan dat je autonomie ingeperkt wordt, je afhankelijk wordt, omdat je bijvoorbeeld nu eenmaal je hypotheek moet betalen. Maar ook leidt het al te vaak tot het wegkijken als er immorele praktijken in de eigen organisatie blijken te zijn. Met als toegift een slecht geweten. Het is daarom belangrijk om de vrijheid te koesteren en die niet zomaar in te leveren voor middelen voor het genotvol consumeren.

Waarin ben je vrij? 

Doorhebben waar je precies vrij in bent en waarin niet, kan je helpen om te voorkomen dat je jezelf ongemerkt afhankelijk maakt terwijl je denkt zelf aan het stuur te staan. Belangrijk is de vraag wat wel, wat niet in onze macht ligt.

In je macht liggen je overtuigingen, deugden en intenties, kortom je moraliteit, je integriteit. Hier ben je dus vrij in. Hoe je deze vrijheid vormgeeft bepaalt wie je bent. Het gaat dus om je morele zelf, je morele identiteit. Daarin zijn we van nature vrij. Het gaat niet om de gevolgen van je handelen want die worden ook beïnvloed door externe factoren waar je geen invloed op hebt.

Evenals je bezit, je reputatie en je werk. Deze kunnen je altijd weer worden afgenomen. Wees je hiervan bewust want de vanzelfsprekendheid dat je denkt dat het wel van je is, kent het risico van onverschilligheid en kweekt de illusie van onkwetsbaarheid. De schok is dan des te groter als het blijkt dat het slechts een illusie is. Als je erin gelooft dat ze wel van jou, en dus in je macht, zijn dan roept het idee dat je het kwijt kunt raken angst op.

Dit wordt nog erger als je erin gelooft dat ze wezenlijk zijn voor je eigen identiteit. Maar ook boosheid als er iets van verdwijnt. Kortom je loopt het risico dat je leven verstoord wordt door deze emoties. Dit wijzen de stoïcijnen ten zeerste af, want het gaat wat betreft je identiteit alleen om je morele zelf! De stoïcijnen daarentegen pleiten voor gemoedsrust.

Volgens de stoïcijnen is het cruciaal om niet te streven naar iets dat niet in je macht is, zoals prestige of aanzien, of iets te willen vermijden wat je niet kunt vermijden, zoals de dood. Om te beseffen dat je eigen wezenlijke vrijheid, dat wil zeggen je morele zelf, altijd van jezelf is en blijft ook al wordt je onder druk gezet. Ook je impulsen, je intenties zijn van jezelf zodat je er niet in gehinderd kunt worden. Dat te beseffen draagt bij aan je vrijheid.

“Vrij is degene die leeft zoals hij wil, die tot niets gedwongen kan worden, die in niets gehinderd kan worden, die ongevoelig is voor gewelddadige pressie, wiens impulsen niet gefrustreerd worden, die bereikt waar hij naar streeft, die niet terechtkomt in wat hij wil vermijden.” (Epictetus, 2011, 255)

Waarin ben je eigenlijk vrij, volgens de stoïcijnen? Je bent vrij als diegene die je bent, als je morele zelf. Je kunt wel in je doen gehinderd worden, maar niet in je zijn. Als je gehinderd wordt dan sta je voor de vraag hoe je hiertoe te verhouden. Hierin ben je vrij! Maar ook je bewust zijn van wat kan en wat niet, en bewust niet meer willen dan dat, is essentieel voor je vrijheid!

“Wel in onze macht liggen onze overtuigingen, impulsen, ons streven, ons vermijden, (…) niet in onze macht liggen ons lichaam, bezit, reputatie, ambten, (…) Wat in onze macht ligt, is van nature vrij, onbelemmerd, ongehinderd; wat niet in onze macht ligt, is zwak, onderworpen, belemmerd, van een ander.” (Epictetus, 2011, 229)

Essentieel daarvoor is doorhebben wat wel en wat niet in je macht ligt en je te onthechten aan dat wat niet in je macht ligt. Zo vermijdt je onnodig lijden, boosheid en angst. Koester je eigen vrijheid! Voor je eigen gemoedsrust. Het is de kunst je neer te leggen bij dat wat er gebeurt, wat je niet in macht hebt. Accepteer het.

Maar het roept dan de volgende vraag op hoe je gebruik maakt van je vrijheid. Wat doe je met de ruimte die er is en de eventuele ontwikkelmogelijkheden die dit biedt. Is vrijheid een kwestie van vrij zijn van … of van vrijheid tot …. De stoïcijnen kiezen nadrukkelijk voor de laatste visie op vrijheid. Je rationaliteit wijst je dan de weg. Op weg naar geluk?

Geluk

Als het dan bij vrijheid gaat om vrijheid tot…., dan is het de vraag of dit wellicht geluk kan zijn.

Geluk wordt wel eens verward met genot. Volgens de stoïcijnen is het juist iets anders dan genot. Wanneer ben je dan gelukkig? Als je ‘gelukt’ bent! Als je je wezen realiseert! En wat is dan het wezenlijke van de mens? Dat is zijn rationaliteit en het daarmee samenhangende morele zelf. Dat doet je inzien wat al dan niet kan en wat jouw deugden zouden moeten zijn.

Gelukkig “ … is hij dus die juist oordeelt; gelukkig is hij die tevreden is met zijn huidige lot, hoe dat ook mag zijn, en die positief staat tegenover de omstandigheden waarin hij verkeert; gelukkig is hij wiens rede hem zijn persoonlijke situatie doet accepteren.” (Seneca, 1996, 231)

Gelukkig zijn krijg je niet cadeau. Het vraagt om goed te kunnen oordelen om vast te stellen wat waar is, om (on)mogelijkheden te zien en het daaruit voortvloeiende lot te accepteren. Dit met behulp van je rede, je verstand, door middel van onderzoek en logisch redeneren. Dit alles draagt bij aan je geluk en het leidt tot kalmte, gemoedsrust, sereniteit en tevredenheid.

Rationaliteit: eigenschap en opgave

“We zijn levende wezens die zijn uitgerust met een redelijke natuur. Wat kunnen we dan beter als leidraad nemen dan de rede? (Seneca, 2013, 35)

Volgens de stoïcijnen is het wezenlijke van de mens zijn rationaliteit. Daar beschikken alleen mensen over. Het is te beschouwen als een gift van de natuur en van vorige generaties die aan de verdere ontwikkeling ervan hebben bijgedragen en dit hebben door gegeven door middel van opvoeding en socialisatie. Erover beschikken leidt daardoor tot de morele opdracht om zorgvuldig te zijn in ons handelen, hetgeen vraagt om de vier kardinale deugden: wijsheid, rechtvaardigheid, matigheid en moed.

“Er is maar een ding waardoor onze geest vervolmaakt wordt en dat is de onveranderbare kennis van goed en kwaad.” (Seneca, 1990, 301)

Rationaliteit is een groot goed dat we zorgvuldig moeten inzetten om het goede te doen. Dit is de daaruit voortvloeiende morele opdracht. Het gaat daarbij niet alleen om instrumentele rationaliteit, dat wil zeggen iets efficiënt voor elkaar krijgen, maar ook om substantiële rationaliteit, dat wil zeggen bedenken wat het goede is om te doen. Het ontwikkelen van de kennis van het goede, en het daaruit voortvloeiende doen, is het vervolmaken van onszelf.

De stoïcijnen koesteren de opvatting dat de kennis van het goede en het kwade onveranderbare, als het ware objectieve, kennis is. In onze tijd, waarin het postmoderne relativisme de boventoon voert, zijn we het daar al snel niet mee eens. Het is goed om daarbij te beseffen dat volgens de stoïcijnen alleen de wijze zo ver komt dat hij deze kennis kan bevatten.

Voor al diegenen die hiernaar op weg zijn is het een streven om, vaak in dialoog, op zoek te gaan naar inzichten in wat het goede is. Dit in het voortdurende besef niet een te grote broek aan te willen trekken. Deze bescheidenheid en de bijbehorende inspanningsverplichting is ook voor het huidige postmoderne relativisme aan te bevelen.

Alleen in dialoog met elkaar is er een gemeenschappelijkheid te ontdekken die noodzakelijk is voor een samenleving die zoveel mogelijk op basis van consensus functioneert en niet louter bij elkaar wil worden gehouden door macht.

Persoonlijke ontwikkeling

“Laat niet de slaap over je vermoeide oogleden komen, voordat je alles overdacht hebt wat je overdag gedaan hebt. “Waar heb ik gefaald? Wat heb ik gedaan? Wat heb ik verzuimd wat ik wel had moeten doen?” Begin daarmee en loop dan alles na; berisp jezelf dan voor wat je verkeerd hebt gedaan, en prijs jezelf voor het goede.” (Epictetus, 2011, 204)

Belangrijk voor je ontwikkeling is de dagelijkse reflectie over je doen en laten. Bekijk wat je gedaan hebt, wat je motieven waren en welke principes je hebt toegepast. Zo leer je om je deugden verder te ontwikkelen. Het gaat om het constateren en het ervan leren. Het is zinloos om je schuldig te voelen en jezelf verwijten te maken. Zit iets je dwars en roept het vervelende gevoelens op dan is het van belang om te onderzoeken wat je dwars zit en vooral je eigen oordelen die daarbij een rol spelen. Want je leidt niet door een externe gebeurtenis, maar door het oordeel dat je daarover hebt. Deze irrationele gedachte kan tot woede en frustratie leiden. Dit is zinloos.

“Wanneer je lijdt door iets van buitenaf bezorgt niet dat ding zelf je de pijn, maar je eigen oordeel erover. En je hebt het zelf in de hand dat op ieder gewenst moment te herroepen.” (Aurelius, 2011, 150)

Besef dat het geen zin heeft om boos te worden op iets dat gebeurd is.

“De woede tegen feiten heeft geen zin, ze malen er niet om.”   (Aurelius, 2011, 132)

Om je te ontwikkelen is het ook belangrijk om oog te hebben voor moreel inspirerende personen in je omgeving. Iemand die een voorbeeldfunctie voor je heeft. Maar dat betekent dan wel het creatief navolgen en niet het slaafs nadoen. Seneca geeft dan ook herhaaldelijk het advies om bij het streven naar morele verbetering altijd een voortreffelijk mens als model voor ogen te houden waaraan je jezelf kunt toetsen.

Aandachtsgebieden van persoonlijke ontwikkeling

Er zijn drie aandachtsgebieden waarop je je moet bekwamen. De eerste is het zicht hebben op wat wel en wat niet in je macht is om te voorkomen dat je naar iets streeft wat niet in je macht is en je daardoor angstig of boos wordt. De tweede is je te oefenen in het oog hebben voor je plichten en de derde is goed kunnen argumenteren en redeneren, zodat je niet lukraak en slordig met iets instemt.

“Het eerste is het gebied van het streven en het vermijden, om te voorkomen dat je niet bereikt waar je naar streeft en terechtkomt in wat je wilt vermijden. Het tweede gebied heeft betrekking op de impulsen en in het algemeen op plichten, om te zorgen dat je daarbij ordelijk, rationeel en niet zorgeloos te werk gaat. Het derde gebied is erop gericht dat je je niet laat misleiden en niet lukraak oordeelt, kortom het gaat over instemming.” (Epictetus, 2011, 188)

Het eerste aandachtsgebied betreft je houding tegenover gebeurtenissen, tegenover dat wat je overkomt. Hoe je omgaat met de gevoelens die hieruit voortkomen en die je door de juiste houding kunt beïnvloeden. Gevoelens die samenhangen met gebeurtenissen en onze oordelen daarover. Het tweede behelst hoe je met andere mensen omgaat, hoe je de betrekking met hen vormgeeft. De sociale relaties die door normen en waarden worden vormgegeven. Het derde betreft hoe je omgaat met ideeën, oordelen en opvattingen over de werkelijkheid. De objectieve wereld en waarheden die een gevolg zijn van objectief en onbevooroordeeld oordelen.

De stoïcijnen hebben ook een visie hoe je met elk aandachtsgebied om moet gaan. Het gaat ten eerste om het kritisch kijken en onderzoeken wat er precies aan de hand is, om te bepalen waar je wel en waar je geen invloed op hebt. Gebeurtenissen moet je accepteren als je er geen invloed op uit kunt oefenen. Dit betreft de disciplinering van de begeerte in overeenstemming met de wil van de natuur. Ten tweede moeten relaties met mensen aan morele standaarden zoals rechtvaardigheid en menslievendheid voldoen. De disciplinering van de neiging om te handelen in overeenstemming met onze redelijke natuur.  Ten derde moeten oordelen over de werkelijkheid objectief zijn. De disciplinering van de instemming in overeenstemming met de werkelijkheid.

“Overal en altijd heb je de mogelijkheid je vroom te schikken in de gegeven omstandigheden, de aanwezige mensen rechtvaardig te behandelen en de gegeven voorstelling met aandacht te beoordelen, opdat er niets naar binnen glipt dat niet toegelaten mag worden.” (Aurelius, 2011, 134)

Vanzelfsprekend is er een verband tussen de drie aandachtsgebieden. Het eerste aandachtsgebied bijvoorbeeld vraagt dat we goed kunnen oberveren en kennis opdoen van hoe mensen zijn en handelen, van de natuur, van gemeenschappen en de maatschappij. Observeren en analyseren zijn daartoe noodzakelijk. Dit heeft natuurlijk een sterke relatie met het derde aandachtsgebied, instemmen met voorstellingen.

Het tweede aandachtsgebied, de betrekking tussen mensen onderling vraagt moreel kunnen redeneren, maar ook morele sensitiviteit voor dat wat er in je omgeving gebeurt. Dit hangt weer samen met het kunnen oberveren en het op een juiste wijze met voorstellingen kunnen instemmen.

De drie aandachtgebieden komen voort uit wat volgens de stoïcijnen het doel van het leven is.

Het doel van het leven is tweeledig: te leven overeenkomstig onze eigen natuur en in overeenstemming met de natuur als geheel. Het leven overeenkomstig onze eigen natuur betekent het ontwikkelen van onze rationaliteit, het verstandig en deugdzaam zijn. Het leven overeenkomstig de natuur als geheel betekent het accepteren van de natuurwetten, van het lot dat daaraan inherent is. Wat betreft het laatste kan er nog een onderscheid worden gemaakt tussen de natuurwetten en de acties van andere mensen.

Het belang van de filosofie

“Wijsheid is het hoogste goed van het menselijk denken. De filosofie is de liefde voor de wijsheid en het streven daarnaar.” (Seneca, 1990, 305)

Ook de filosofie is belangrijk voor je persoonlijke ontwikkeling. Met filosofie wordt dan met name de praktische filosofie bedoeld. Geen abstracte redeneringen, maar juist handvatten voor ons dagelijks leven. De stoïcijnse filosoof staat juist midden in het leven! In de stoïcijnse filosofie vervult de filosofie een rol die vergelijkbaar is met wat nu een gesprekstherapeut doet. Filosofie helpt dus bij het genezen. Je afhankelijk maken van dat waar je geen of weinig invloed op hebt draagt bij aan je ongelukkig voelen. De filosofie helpt je in het hierover nadenken, om irrationele gedachten op te helderen en om zo bij te dragen aan geen of minder angst, woede of jaloezie in je leven.

“De filosofie (…) zij ligt niet in woorden, maar in een praktijk. (…) zij vormt en bewerkt de geest, ordent het leven, geeft richtlijnen voor ons handelen (…) Zonder haar kan niemand vrij van angst en zorgen leven (…).” (Seneca, 1990, 51)

Maak er ruimte voor, vooral als je het erg druk hebt! Het is onwijs als je het als een luxe ziet!

“Wij moeten ons verzetten tegen drukke bezigheden en ze niet cultiveren, maar bestrijden. Er is geen tijdstip dat niet geschikt is voor een studie die beslissend is voor ons welzijn: maar veel mensen beoefenen de filosofie niet te midden van omstandigheden met het oog waarop zij juist wel beoefend moet worden.” (Seneca, 1990, 206)

De filosofie helpt als je van mening verschilt door de juistheid van de verschillende meningen te onderzoeken. Als je op zoek bent naar de waarheid.

“ (…) dat je vaststelt dat mensen met elkaar van mening verschillen; dat je je afvraagt waar dat uit voortkomt; dat je wat niet meer is dan een opvatting, leert minachten en wantrouwen; dat je onderzoek doet naar de juistheid van zo’n mening en dat je ten slotte een standaard vindt, (…)” (Epictetus, 2011, 134)

Als je een ander ontmoet dan is het van belang om zijn opvattingen te leren kennen en op jouw beurt je eigen opvattingen te laten zien. Om vervolgens in dialoog te gaan, om elkaar te onderzoeken, om onjuiste opvattingen kwijt te raken. Om aan elkaar opvattingen ter toetsing voor te leggen. Dat is volgens Epictetus ook de manier om met een filosoof om te gaan.

De sociale opdracht

“Het geluk van een mens is te doen wat de mens eigen is. De mens eigen is: welgezindheid tegenover zijn medemens, (…).” (Aurelius, 2011, 145)

De filosofie van de stoïcijnen beoogt overigens geen solistisch, egoïstisch leven. Ook de gemeenschap is belangrijk. De betrekkingen tussen mensen onderling staan in het teken van het rechtvaardig handelen, in dienst van de menselijke gemeenschap.

Ook de menselijke gemeenschap kent zijn eigen samenhang waar je zorgvuldig en respectvol mee moet omgaan. De aandacht hiervoor is het tweede eerder besproken aandachtsgebied.

“Want alles wat ik doe, op eigen kracht of samen met een ander, moet alleen op dit ene doel gericht zijn: het nut en de harmonie van de gemeenschap.” (Aurelius, 2011, 126)

Zingeving

“In het algemeen kun je zeggen dat er een sluitend, harmonisch geheel bestaat en zoals de kosmos door het samengaan van alle lichamen tot een alomvattend lichaam wordt, zo worden ook door het samengaan van alle oorzaken de lotsbeschikkingen tot een alomvattende oorzaak.”  (Aurelius, 2011, 101)

Weer terug naar de vraag naar waar we elke ochtend voor opstaan. Waar gaat het in het leven om? We hebben een behoefte aan zingeving. Dit is het verlangen om deel uit te maken van, en bij te dragen aan, iets dat buiten jezelf ligt. Om onszelf en onze handelingen te plaatsen in een raamwerk dat groter is dan onszelf en waaraan wij continuïteit toeschrijven en waarde aan hechten. De stoïcijnen denken daarbij aan de kosmos. Het grotere geheel, de kosmos is een geordend geheel, waarin alles z’n functie heeft. Dit roept verwondering, bewondering, en het hebben van respect ervoor op. En de bijbehorende morele opdracht om daarin en daarmee zorgvuldigheid om te gaan. Om er een bijdrage aan te leveren door deugdzaam te handelen, om het eigen moreel kompas hierop gericht te krijgen en te houden.

Ontwikkel het oog hebben voor hoe de kosmos in elkaar zit, wat de onderlinge verbanden zijn, welke functie iets heeft voor zijn omgeving. Grijp niet zomaar in, zonder een idee te hebben van welke, vaak subtiele, samenhangen in de natuur verstoord worden.

“Wat is dit op zichzelf beschouwd, hoe zit het in elkaar, wat is de materiële of stoffelijke factor erin, wat de oorzakelijke, welke functie heeft het in de kosmos, hoe lang blijft het bestaan?”   (Aurelius, 2011, 142)

De stoïcijnse uitdaging

“De gaafheid van het geheel wordt geschonden als je, zelfs in geringe mate, de samenhang van de delen of het noodzakelijk in elkaar grijpen van de oorzaken verbreekt. Want dat doe je, voor zover het in je vermogen ligt, wanneer je ontevreden bent en je maakt dan, in zekere zin, de boel kapot.”  (Aurelius, 2011, 102)

Doordat de gaafheid van het geheel momenteel geschonden wordt, door bijvoorbeeld de opwarming van de aarde, de ontbossing, het uitsterven van diersoorten, de bio-industrie, plaatst ons dat voor de noodzaak om de bakens te verzetten. Voor de aarde, maar ook voor onze gemoedsrust.

“wat houdt de taak van een burger in? Dat je niets als zuiver privébelang beschouwt en, als je bij jezelf iets overlegt, dat niet doet alsof je losstaat van het geheel. (…) begrijpen hoe de natuur in elkaar zit: nergens op afgaan, niets najagen zonder het in verband te zien met het geheel.” (Epictetus, 2011, 130)

Dit kan op verschillende wijzen. Ook de stoïcijnse filosofie biedt een aantal aanknopingspunten hiervoor. Het is de moeite waard om de stoïcijnse uitdaging te bezien. Deze stoïcijnse uitdaging bestaat uit het verleggen van onze aandacht van het genot en verlangens naar het ontwikkelen van ons morele zelf door onze deugden te vervolmaken. Daarmee ligt het geluk in het verschiet. Een vorm van gelukt zijn dat gepaard gaat met gemoedsrust, maar ook zin geeft aan het leven. Want het beteugelen van verlangens, het consuminderen, leidt tot het vergroten van onze vrijheid. Ruimte om onze morele verantwoordelijkheid serieus te nemen en om onze kardinale deugden (wijsheid, rechtvaardigheid, moed, matigheid) te ontwikkelen. Maar ook om de kosmos te respecteren, in stand te houden, en door te geven aan toekomstige generaties. Dit alles leidt voor ons tot een zinvol leven!

“Hoe doe je dat? Als je vaste overtuigingen hebt, waaruit je verlangens en handelingen voortkomen. Wat voor overtuigingen? Betreffende goed en kwaad; dat niets goed is voor een mens wat hem niet rechtvaardig, gematigd, dapper en onafhankelijk maakt, en dat niets slecht is wat niet het tegenovergestelde gevolg heeft.”   (Aurelius, 2011, 140)

Zoals gesteld in de inleiding leven we in een tijd waarin uitputting van grondstoffen dreigt, er een groot klimaatprobleem opduikt en er sprake is van een verstoorde relatie met de natuur. Deze problemen stellen ons voor drie, onderling samenhangende, vraagstukken. Ten eerste hoe gaan we om met onze behoeftes en verlangens waarvan we gewend zijn dat ze bevredigd worden? Ten tweede hoe ontwikkelen we onze morele sensitiviteit en argumentatievermogen om de juiste ethische beslissingen te nemen? Ten derde wat wordt het antwoord op de vraag naar de zin van het leven als we dat niet meer kunnen vinden in het bevredigen van onze behoeftes en verlangens?

Met behulp van de drie stoïcijnse aandachtsgebieden: houding tegenover de gebeurtenissen, de betrekking tussen mensen onderling en het instemmen met voorstellingen, kan gekeken worden naar onze huidige maatschappij.

In het eerste aandachtsgebied gaat het om het disciplineren van de begeertes. De deugd matigheid is daarvoor nodig. De kunst is om begeertes in te tomen als de bevrediging ervan niet binnen de eigen invloedssfeer ligt. Het slaaf zijn van je begeertes ligt anders op de loer. Daar waar onze maatschappij juist draait om behoeftebevrediging valt er nog veel te leren ten aanzien van dit aandachtsgebied van de stoïcijnen. Matigheid, onafhankelijkheid en vrijheid als een belangrijk tegengif voor de ongebreidelde behoeftebevrediging van onze moderne maatschappij. Matigen en consuminderen, het daardoor verminderen van boosheid en angst en het heroveren van onze morele vrijheid is een belangrijke boodschap van hen voor ons. Daarmee biedt de stoïcijnse filosofie een perspectief voor het aanpakken van het eerste vraagstuk, hoe om te gaan met onze behoeftes en verlangens.

Veel van het handelen in onze maatschappij staat in het teken van verkrijgen van voordeel. Heel het marktmechanisme is hierop gebaseerd. Zozeer dat de prijs die op de markt tot stand komt wordt gezien als de juiste prijs. Het aloude idee van een rechtvaardige prijs is helemaal verdwenen. Laat staan menselijkheid als waarde van de onderneming, ook als het geen geld oplevert of zelfs kost. De stoïcijnen kiezen hier juist voor een morele invalshoek en dagen ons uit om de relatie met andere mensen en met de gemeenschap op een rechtvaardige wijze vorm te geven. Dit betreft het tweede aandachtsgebied, de betrekking tussen de mensen onderling. Rechtvaardigheid is hier de te ontwikkelen deugd.

We zullen onze onderlinge relaties en de relatie met de gemeenschap waar we een onderdeel van zijn, meer door de morele bril moeten gaan bekijken dan we nu gewend zijn. En dat is iets anders dan bijvoorbeeld vol verontwaardiging en boosheid roepen dat je ergens recht op hebt of dat je onrecht is aangedaan.

Het behoedzaam leren argumenteren en het zorgvuldig onderbouwen van morele standpunten is nog een hele slag die we te maken hebben. Maar de stoïcijnse filosofie biedt er de nodige inspiratie voor.

Op deze wijze kunnen we het tweede vraagstuk aanpakken. Het ontwikkelen van onze morele sensitiviteit en argumentatievermogen. Maar dat vraagt wel dat we een deel van de energie die we nu met z’n allen steken in het produceren en consumeren steken in onze morele ontwikkeling, als individuen en als gemeenschap.

In tijden van fakenews, van subtiele, manipulatieve reclameboodschappen is het ontwikkelen van een waarheidlievend oordeelsvermogen, het derde stoïcijnse aandachtsgebied, essentieel. Een morele opgave van de hoogste plank. Het gaat om het belang van waarheidsvinding, het logische oordelen kunnen vellen, het onderkennen van drogredenen en het ter discussie kunnen en durven stellen van vooroordelen. Dit vraagt jezelf te trainen in het objectief en onbevooroordeeld oordelen, zoals Epictetus dit al adviseerde. De deugd van de waarheid of afwezigheid van een overhaast oordeel is meer dan ooit gewenst in onze maatschappij.

Voor het derde vraagstuk, namelijk die van de zin van het leven, biedt het stoïcijnse denken ook de nodige aanknopingspunten. De zin van het leven vraagt om het ontwikkelen van je moraliteit. Rechtvaardigheid en wijsheid, daar gaat het om. Door dit serieus te nemen ontstaat gemoedsrust. Maar door deze waarden toe te passen op onze relatie met de natuur, met de kosmos, en met onze toekomstige generaties leveren we tegelijkertijd een bijdrage aan de duurzaamheid en een rechtvaardige verdeling van inkomen en bezit op deze aarde.

Hoewel de stoïcijnse filosofie eeuwen oud is kan het een bijdrage leveren aan de broodnodige innovatie van ons moreel denken. Een innovatie die nog veel tijd, energie en denkkracht zal vragen maar die noodzakelijk is gezien de grote uitdagingen waarvoor we staan. Laat de stoïcijnse uitdaging de wijze zijn die ons uitdaagt!

Literatuur:

Epictetus, (2011). Verzameld werk. Amsterdam: Atheneum
Marcus Aurelius, (2011). Persoonlijke notities. Amsterdam: Ambo
Seneca, L.A., (1990). Brieven aan Lucilius. Amsterdam: Ambo
Seneca, L.A., (1996). Dialogen. Amsterdam: Boom
Seneca, (2013). Het ware geluk. Amsterdam: Atheneum

Dit artikel is met goedkeuring van de auteur Ronald Wolbink gepubliceerd door Humanistisch Verbond Amsterdam Amstelland. Wil je inspiratie en nieuws in je mailbox ontvangen over thema’s waarover we met elkaar nadenken en spreken? Meld je aan voor onze maandelijkse nieuwsbrief.

Ronald-Wolbink

Ronald Wolbink

Cursusdocent Humanistisch Verbond

Ronald Wolbink is praktisch filosoof, socratisch gespreksleider en schrijver van het boek Levenskunst à la Montaigne. Hij promoveerde in …
Profiel-pagina