In het laatste cursusweekend ‘Humanistische Filosofie’ geeft Jan Bransen een lezing over redelijkheid. Deze voormalig Socrateshoogleraar heeft bovendien een nieuw boek uit: ‘Laat je niets wijsmaken’. “Het belang van gecultiveerde emoties verdwijnt naar de achtergrond in een te rationeel humanisme.”

Op uw website staat: ‘Denken is praten, naar de juiste woorden zoeken om te begrijpen wat ons beweegt’. Waarom?

Bransen: “De oude Grieken noemden de mens ‘zoon logikon’, wat ik het liefst vertaal als ‘pratend dier’. Logikon staat voor denken en praten. In het moderne Westen is langzaam het beeld ontstaan dat denken plaats vindt in een individuele binnenwereld. Achteraf doen we verslag via taal. Het idee van zo’n binnenwereld bestond bij de Grieken niet. Denken en redeneren was voor hen een proces tussen mensen, met alle verwarring en emoties van dien.
Redelijkheid is voor hen geen kwestie van individuele, interne en rationele controle. Dat hedendaags psychologisch onderzoek aantoont dat die rationele controle maar zeer beperkt is, zou voor hen dan ook niet verrassend zijn geweest en zeker geen bewijs voor ons gebrek aan redelijkheid.”

Uw nieuwste boek heet ‘Laat je niets wijsmaken’. U stelt kritische vragen over ‘deskundigen’. Wat baart u het meest zorgen?

Bransen: “Wetenschappers proberen over verschijnselen te praten in een taal die verankerd is in een objectieve werkelijkheid. Dat zorgt in de menswetenschappen voor problemen, omdat de menselijke werkelijkheid gevormd wordt door met elkaar pratende mensen. Wetenschappers veranderen die werkelijkheid door leken hun jargon aan te bieden. Daarmee worden ze een slang die in zijn eigen staart bijt. De arbeidsverdeling tussen leken en experts ondermijnt een belangrijk aspect van ons gezonde verstand: het vermogen een onderzoekende houding in te nemen. Want leken worden mensen die het gewoon niet weten, en die alleen nog maar op een afwachtende manier om antwoord gaan vragen.

En experts worden mensen die het juist wel weten en die alleen nog maar antwoorden geven. Daarmee verliezen we allemaal een bijzonder eigenschap: dat wij onszelf vragen kunnen stellen. Als je aan iemand die het niet weet – jijzelf – oprecht een vraag stelt, dan moet het denken wel in beweging komen.”

Dat klink erg humanistisch. Zou u zichzelf ‘humanist’ noemen?

Bransen: “Ik wil mezelf best humanist noemen, maar dan als houding waarin medemenselijkheid de hoogste waarde is, zonder bovennatuurlijke bron nodig te hebben. Dat verkoop ik graag. Ik vind het wel een probleem dat humanisme zich presenteert als levensbeschouwing. Dat doet denken aan een afgesloten geheel.

Waarom is dat een probleem?

Bransen: “Omdat het vertrekt vanuit begrip. Normen en kaders lijken zo vanzelfsprekend gedeeld te worden, dat vragen niet meer nodig zijn. Mensen begrijpen elkaar vaak echter helemaal niet. We hebben de ruimte nodig om ons onbegrip te delen en voor die ruimte is weinig plaats in een levensbeschouwing.”

U heeft het in het verleden over ‘sentimenteel humanisme’ gehad. Wat bedoelt u daarmee?

Bransen: “In de geschiedenis waarin we het idee van een ‘binnenwereld’ ontwikkelden, ontstond ook een tweedeling tussen passie en ratio. Dat wekt de suggestie van twee benen: je gevoel en je verstand. Maar je kunt niet lopen op 1 been. In mijn nieuwe boek zit een hoofdstuk over vertrouwen en gastvrijheid. Dat gaat over het veredelen of cultiveren van emoties. Redelijkheid toont zich niet buiten maar in je emoties. Het belang van gecultiveerde emoties verdwijnt naar de achtergrond in een te rationeel humanisme. “

Waar denkt u nu vooral over?

Bransen: “Over professionaliteit in de geestelijke gezondheidszorg en hoe je psychiatrische patienten kunt ’empoweren’. Je wilt dat mensen niet leunen op deskundigen, maar ze moeten zich wel gesteund kunnen voelen. Ik ben geinteresseerd in vormen van verstandigheid die dit mogelijk maken. Het vraagt een andere organisatie van zorg en het vraagt meer mensen die het niet weten.”

Bransen, J., Laat je niets wijsmaken

Interview door Esther Wit