Rumi werd geboren in het huidige Afghanistan, in de dertiende eeuw. Dat klinkt ver weg en lang geleden, maar net als nu was toen sprake van culturele uitwisseling én politieke onrust. Aan het begin van de dertiende eeuw was de vijfde kruistocht in volle gang. De Seljuken, Mongolen, Byzantijnen, Perzen en Arabieren lagen met elkaar overhoop. Rumi’s ouders vluchtten met hun zoon voor de Mongolen.

Uiteindelijk kwam Rumi in Konya, nu Turkije, terecht. In deze onstuimige wereld gaf hij het geloof een onderzoekende, mystieke en volgens velen humanistische invulling. Dit blijkt bijvoorbeeld uit zijn Masnavi, een enorm leerdicht met meer dan 25.000 verzen, ook wel de ‘Perzische Koran’ genoemd.

Opvallend aan dit werk is dat het nauwelijks gaat over alle politieke en godsdienstige conflicten. Rumi wilde zijn chaotische wereld juist confronteren met de spirituele reis die mensen in zichzelf kunnen maken. ‘Het universum is niet buiten jou’, schrijft hij. ‘Alles wat je zoekt ben je al.’ Hij wenkt mensen naar binnen, naar hun innerlijke wereld – om daar een bron van liefde en inspiratie te vinden die het individu ook weer overstijgt.

Hoewel veel mensen hem nu als inspiratiebron zien, zijn Rumi’s ideeën verankerd in een vrijzinnige, mystieke beweging binnen de islam, het soefisme (afgeleid van ‘sūf’, wol, naar de bescheiden kledij van de eerste soefi’s). Daarin staat niet het theoretische dogma, maar de persoonlijke zoektocht centraal. Anders dan veel van zijn tijdgenoten gaat het Rumi niet om het trekken van grenzen, maar om het overstijgen daarvan: grenzen van de eigen identiteit, grenzen tussen jou en de wereld om je heen, grenzen tussen jezelf en de ander. Overstijg je die grenzen, dan vind je jezelf, aldus Rumi, in een ‘staat van verbijsterend heldere verwarring’; een mystieke ervaring van alomvattende harmonie en eenheid.

Die ervaring is inderdaad verwarrend, omdat vertrouwde scheidslijnen wegvallen en woorden tekortschieten. ‘Ik weet niet wie ik ben. Ik ben niet een christen, niet een jood, niet een aanhanger van zoroaster. En ik ben zelfs geen moslim.’ Tegelijk daagt er in die verwarring een helder besef: een besef van eenheid en verbondenheid. ‘Ik ben het leven van het leven’, vervolgt hij. ‘Ik ben die poes, deze steen, niet een aparte entiteit.’ Het gaat hem om de ervaring één te zijn met alles wat bestaat. ‘Je bent geen druppel in de oceaan, je bent de gehele oceaan in een druppel.’

Verdraagzaamheid

In deze religieus-mystieke ervaring neem je volgens Rumi deel aan een goddelijk-zijn en een goddelijke liefde die uiteindelijk iedere levensovertuiging overstijgen. Dat is ook de bron van zijn verdraagzaamheid, die niets aan actualiteit heeft ingeboet. In 2008 is een groot dubbelportret geschilderd in de Rotterdamse Erasmusstraat, waarin Erasmus en Rumi als boegbeelden van de verdraagzaamheid te zien zijn. Natuurlijk mag je kritisch zijn en dingen aan de kaak stellen, maar Rumi wilde ontstijgen aan het (ver)oordelen. Dwaas en wijze, broeder en vreemdeling, heiden en moslim zijn voor hem uiteindelijk één. ‘Laten we weigeren vijand te zijn: onze vijand is de haat. Ik kijk kritisch naar jou omdat ik van je hou. Voorbij goed en kwaad is een veld. Laten we elkaar daar ontmoeten.’

Mens-zijn als herberg

Binnen sommige soefi-stromingen is de dans een belangrijke religieuze praktijk en oefening. De bekendste orde, die van de mevleviye of draaiende derwisjen, is door Rumi zelf gesticht. Je zou kunnen zeggen dat hij het leven zelf als in een dans tegemoet wilde treden: onbevangen, met liefde en overgave. Daarvoor zijn meditatie, muziek, het reciteren van koranteksten én openheid naar jezelf essentieel volgens Rumi.

In een van zijn gedichten raadt hij aan om alle gevoelens en gedachten gastvrij, met eerbied of zelfs met een brede grijns in jezelf te verwelkomen. Ook de donkere gedachten, de schaamte en het venijn. ‘Dit mens-zijn is een soort herberg. Elke ochtend een nieuw bezoek. Vreugde, depressie, benauwdheid, flitsen van inzicht komen als onverwachte gasten.’ Alle gedachten en gevoelens worden ‘raadgevers’: ze vertellen je iets over het leven, hoe je daarin staat en ermee verknoopt bent. Deze openheid naar jezelf leidt tot grotere zachtmoedigheid naar anderen.

Maar denk niet dat Rumi soft is. Hij daagt mensen juist uit hun ego weg te cijferen en het leven onverschrokken te proeven, met alles erop en eraan. Alleen dan ontstaat er ook ruimte voor liefde en verbinding. Híerin – en níet in de strijd met elkaar – ligt voor Rumi de ware strijd. ‘Verklaar de djihad aan dertien vijanden die je niet kunt zien: egoïsme, arrogantie, ijdelheid, eigenbelang, begeerte, lust, intolerantie, woede, liegen, bedriegen, roddelen en lasteren. Als je die dertien kunt overmeesteren of verslaan, ben je misschien wat beter in staat de angst en eenzaamheid in het dagelijks leven – die je wél kunt zien – in de ogen te kijken.’

Dit artikel komt uit HUMAN INC.

HUMAN INC. is het magazine van het Humanistisch Verbond

Bas Nabers

Bas Nabers

Filosoof, schrijver en programmamanager Met zorg naar elkaar omzien

Filosoof en programmamanager Zorg & Geestelijke Verzorging bij het Humanistisch Verbond.
Profiel-pagina