Hoe blijf je de mens zien achter de misdaad?
In de documentaire Vonnis van filmmaker Zorba Huisman volgen we humanistisch geestelijk verzorger Jacob Oeverbeek in een penitentiaire inrichting, waar hij mannen begeleidt die vastzitten voor zware misdrijven. Hoe blijf je de mens zien in iemand die het ondenkbare heeft gedaan, zonder de ernst van die daad kleiner te maken?
Voor Jacob begint dat bij een humanistische houding: niet boven de ander gaan staan, maar ook je eigen falen en gebrokenheid onder ogen durven zien.
Waar gaat deze documentaire volgens jou over?
‘Wat ik mooi vind, is dat iedereen er iets anders uit haalt. De een ziet vooral de zwaarte van de gevangeniswereld, een ander de verstilling. Ik ga zelf in ieder geval elke dag fluitend naar mijn werk. Niet omdat het werk licht is, maar omdat het waardevol is. Ik heb daar mooie relaties, doe werk dat ertoe doet, en er is ook veel menselijkheid. Soms is het zelfs een gezellige plek – iets wat in de documentaire minder naar voren komt. Er zijn ook talloze momenten waarop mannen elkaar troosten, samen lachen, sporten, ontspannen, steun vinden bij elkaar.’
‘Voor mij gaat Vonnis over oordeel en menselijkheid. Over hoe snel we iemand kunnen samenvatten in zijn misdaad, maar ook over wat er gebeurt als je probeert voorbij dat eerste oordeel te blijven kijken. Niet om iets goed te praten of de ernst kleiner te maken, maar om te onderzoeken of een mens meer kan zijn dan zijn daad.’
' Wat we als mensen delen, is die worsteling met het leven. Om vanuit dat besef de ander te beluisteren, met diegene in gesprek te gaan, daar zit voor mij de verbinding. '
Hoe werkt jouw humanistische blik door in het contact met gedetineerden?
‘Ik heb geen heilige of een god, geen Jezus of Mohammed die ik naar voren kan schuiven, zoals mijn collega’s die geestelijk verzorger zijn vanuit hun religie. Ik heb het te doen met mijn eigen leven, mijn eigen vragen, mijn eigen zoeken. Wat we als mensen delen, is die worsteling met het leven. Om vanuit dat besef de ander te beluisteren, met diegene in gesprek te gaan, daar zit voor mij de verbinding. Wat is een goed leven? Waar schiet ik tekort? Waar draag ik schuld of schaamte mee?’
‘Het verhaal over mijn zoon, dat ook in de documentaire zit, heb ik ooit in een bezinning gedeeld. Voor mij ging dat over hoe je nog zo je best kan doen, nog zo veel van iemand kan houden, en toch tekort kan schieten – als vader heb ik daarmee te dealen. Maar laatst kwam er dus iemand bij me die een jaar eerder bij die bezinning was geweest. Hij vertelde dat hij altijd had geloofd dat zijn leven in de criminaliteit kwam doordat zijn vader overleed toen hij heel jong was. Dat was zijn verklaring geworden voor hoe zijn leven was gelopen. Maar door mijn verhaal dacht hij: ook met een liefhebbende vader die zijn best doet, kan een leven evengoed verkeerd lopen. Dat bevrijdde hem van het verhaal waarin hij zichzelf had vastgezet: ik ben zo geworden omdat mijn vader er niet was.’
‘Dat vind ik het bijzondere aan dit werk. Als je levenservaringen werkelijk deelt, kan er iets gaan stromen wat je zelf niet van tevoren kan bedenken. Mensen halen er soms iets uit wat ik nooit zo had bedoeld, maar wat hen wel verder helpt.’
De documentaire stelt de vraag: hoe blijf je de mens zien in iemand die het ondenkbare heeft gedaan, zonder jezelf daarbij te verliezen? Hoe doe jij dat?
‘Voor mij begint dat met de vraag: wat betekent het voor iemand als mens om hier te zijn? Dat betekent niet dat de daad er niet toe doet. Natuurlijk doet die ertoe. Maar ik ben daar niet om iemand terug op het goede pad te zetten of namens de samenleving te zeggen wat wel en niet mag. Ik ben daar omdat het uitoefenen van godsdienst of levensovertuiging een grondrecht is voor mensen, ook voor mensen in onvrijheid.. Ook iemand die vastzit, heeft het recht om zich te verhouden tot zijn leven, zijn keuzes, zijn schuld, zijn schaamte en zijn beeld van wat een goed leven is.’
‘Daarom probeer ik aan te sluiten bij waar iemand werkelijk is. Soms zijn dat vragen die moreel ongemakkelijk zijn. Ik heb gesprekken gevoerd waarin de vraag opkwam: wanneer is moord moreel juist? Alleen al het stellen van zo’n vraag schuurt. Maar voor sommige mannen is de werkelijkheid dat als zij niet toeslaan, iemand anders het doet. Bij hen, of bij hun geliefden.’
‘Voor mij begint daar het humanistische werk: niet meteen het ideale mensbeeld naar voren schuiven, maar onderzoeken wat er werkelijk leeft. Als iemand probeert te begrijpen wat hij heeft gedaan, of waarom hij deed wat hij deed, dan zie ik daarin al iets menselijks. Die poging, om zich tot zijn daad te verhouden, is op zichzelf al een menselijke beweging.’
' Ik beweeg voortdurend tussen nabijheid en confrontatie, tussen de mens zien en de daad niet wegpoetsen. Juist in die spanning probeer ik ruimte te maken voor menselijkheid. '
Zijn er momenten waarop het moeilijk is om die menselijkheid te blijven zien?
‘Soms kom je verhalen tegen die echt vreselijk zijn. Toch leer ik mensen meestal niet in de eerste plaats kennen vanuit hun daad, maar vanuit hoe ze zich bewegen in de gevangenis. Iemand komt naar een bezinning, drinkt een kop koffie, praat mee in een groep, vraagt een één-op-één gesprek aan. Dan ontmoet je eerst de mens die daar zit. Pas later komt soms naar boven wat iemand heeft gedaan.’
‘Ik heb een man begeleid die betrokken was bij een ernstige misbruikzaak met kinderen. Dat is afschuwelijk. Daar hoef je niets aan te verzachten. Toen in de instelling bekend werd waarvoor hij vastzat, was hij zijn leven niet meer zeker. Mensen met zulke delicten worden uitgestoten, bedreigd, soms fysiek aangepakt. Hij werd apart gezet en uiteindelijk overgeplaatst. Zijn wereld stortte opnieuw in.’
‘Ik kwam bij hem toen hij op zijn bed zat na het horen van dat nieuws, helemaal alleen. Ik wist wat hij had gedaan. Ik wist dat er slachtoffers waren en dat de schade onherroepelijk was. En toch was dat niet wat op dat moment het meest voor mij verscheen. Ik zag een gebroken mens. Iemand met een diepe behoefte aan nabijheid.’
Op zo’n moment is het niet mijn rol om de slachtoffers een stem te geven. Mijn rol is om aanwezig te zijn bij de mens die tegenover mij zit. Dat betekent niet dat ik de daad vergeet of goedpraat. Er zijn ook confronterende gesprekken waarin ik zeg: besef je wat je hebt gedaan? Maar er zijn ook momenten waarop ik iemand simpelweg laat weten dat ik er voor hen ben, en een arm om de schouder slaan als ze daar behoefte aan hebben. Sommige mensen zullen dat misschien naïef vinden, maar voor mij voelt de vraag eerder andersom: hoe kan ik dat níet doen? Maar het blijft complex werk. Ik beweeg voortdurend tussen nabijheid en confrontatie, tussen de mens zien en de daad niet wegpoetsen. Juist in die spanning probeer ik ruimte te maken voor menselijkheid.’
Wat hoop je dat mensen halen uit het zien van deze documentaire?
‘Ik hoop dat mensen iets meenemen van de houding die in de documentaire zichtbaar wordt: een pleidooi voor menselijkheid. Voor verbinding, niet vanuit een positie waarin je boven de ander staat, maar vanuit het besef dat je zelf ook worstelt, faalt en tekortschiet. Menselijkheid begint bij het besef dat je zelf ook mens bent.’
‘Als je weet dat je zelf ook dingen verkeerd doet, ontstaat er misschien zoiets als genade voor elkaar. Dan wordt het moeilijker om zomaar aan de kant van de oordeler te gaan staan. We zitten allemaal in hetzelfde schuitje. We zijn echt allemaal niet perfect.’
Kijk hier de NPO Doc ‘Vonnis’