‘Wat wat doe je daar eigenlijk?’ Men vroeg het vaak aan humanistisch geestelijk verzorger Sonja ’t Hart-Hartog die veertien jaar lang in een verpleeghuis werkte. Na haar pensioen schreef ze als antwoord op die vraag het boekje ‘Wat doe je daar nu eigenlijk?’ Een bundel met aangrijpende, ontroerende en humoristische verhalen over het bijzondere werk van de geestelijk verzorger in een verpleeghuis. Het boekje is mede mogelijk gemaakt door steun van het Humanistisch Verbond. U kunt het gratis aanvragen. Natuurlijk ook een interview met de auteur.

U hebt veertien jaar in het verpleeghuis gewerkt en bent nu al een aantal jaren gestopt met dit werk. Wat heeft gemist na uw pensionering?

Ik heb het als zeer prettig ervaren dat ik zo goed ingebed ben geweest in de organisatie waar ik in werkzaam was. Natuurlijk miste ik de eerste periode het contact met mijn collega’s, maar ook de contacten met de bewoners. Ik heb het altijd als heel bijzonder ervaren dat ik heb kunnen delen in zovele verschillende, mooie levensverhalen. Ook de diversiteit van die verhalen heeft me geïnspireerd. Er is bewust voor gekozen die diversiteit in het boekje aan bod te laten komen. Zo is er het verhaal van mevrouw Molenaar op de psychogeriatrische afdeling waarmee ik heel even, maar heel wezenlijk contact maak door alleen haar hand vast te houden, maar ook een verhaal van een patiënt die ik begeleid heb met een euthanasieverzoek.

Waarom heeft u ervoor gekozen om als humanistisch geestelijk verzorger in een verpleeghuis te gaan werken?

Wat ik heel erg waardevol heb gevonden, is dat ik een echt diep contact met bewoners heb kunnen opbouwen. Het ging verder dan een paar gesprekken. De valkuil daarvan is overigens dat gesprekken kunnen gaan kabbelen en oppervlakkig worden. Je moet jezelf als raadsvrouw voortdurend corrigeren en je afvragen wat het doel van een gesprek zou moeten zijn. Je loopt natuurlijk toch niet helemaal vrijblijvend rond.

Wat heeft u niet gemist?

Sommige aspecten van het werk miste ik minder. Met name ‘de zwaarte’ van sommige verhalen. Het is toch een emotioneel zwaar beroep. Ik ben ook altijd blij geweest dat ik het zestien uur per week heb kunnen doen, niet meer. Wat ik ook niet gemist heb is dat ik niet meer hoef uit te leggen wat het beroep humanistisch geestelijk verzorger precies inhoudt. Een ander punt is de twijfel. Ik heb me in dit werk ook wel afgevraagd ‘Wie zit er op mij te wachten?’ als afspraken niet doorgingen of de familie binnenliep. Ik raakte daar echter wel aan gewend naar verloop van tijd en gelukkig was er altijd wel iets zinvols te doen.

Maakt u zich zorgen over de situaties in verpleeghuizen?

Ja, na mijn pensioen ben ik vier jaar lang vertrouwenspersoon geweest in het verpleeghuis waar ik werkte. De medewerkers, en met name de ziekenverzorgers, hebben het heel zwaar. Ze kunnen steeds minder goed de zorg bieden die ze willen bieden, en lijden daar zelf vaak ook onder. Er moeten meer handen aan het bed komen, dat is de enige oplossing.

Welke eigenschappen moet een geestelijk verzorger in een verpleeghuis hebben?

Ik denk moed, trouw en creativiteit. Moed om telkens een stap verder te gaan dan je misschien in eerste instantie zou willen. Een voorbeeld daarvan staat in het boekje. Het verhaal ‘De Weense Wals’ gaat over mijnheer Franssen, een bewoner van de psycho-geriatrische afdeling, die door met mij te walsen uiteindelijk opener werd en uit zijn isolement kwam. Als je dan een manager tegenkomt, heb je wel iets uit te leggen. Je hebt er dus moed voor nodig en ook creativiteit. Trouw is ook belangrijk. Want je moet investeren in het contact om het vertouwen te winnen van bewoners.

Wat was voor u belangrijk in uw werk?

Dat ik als geestelijk verzorger de tijd kon nemen voor een gesprek is zeer belangrijk geweest en heeft me heel veel voldoening gegeven. In een verpleeghuis regeert de klok vaak en verzorgenden hebben weinig tijd. Bewoners vroegen ook wel eens: ‘Moet u nog niet weg?’ Nee, ik hoefde nog niet weg. En door de tijd die ik voor bewoners had, konden bewoners letterlijk de tijd nemen te zoeken naar wat belangrijk voor ze was en konden ze dat met mij in alle rust bespreken.

Was er veel veranderd in de jaren dat u in het verpleeghuis werkte?

In de beginjaren was er een priester uit de missie die overal bijbels neerlegde. Daar ben ik toen tegen in verweer gekomen. De samenwerking de laatste jaren tussen mij en mijn religieuze collega’s was verbeterd en goed te noemen. Samen hebben we de geestelijke verzorging in het verpleeghuis kunnen profileren. 
We zijn meer zichtbaar geworden, meer aanwezig. We werden betrokken bij het opstellen van behandelplannen bijvoorbeeld. Nee, ik heb echt in een heel fijn team gewerkt. Niet voor niets heb ik het eerste exemplaar van het boekje aan collegae geestelijke verzorgers uitgereikt. We hebben veel steun aan elkaar gehad.

Toch moeten er ook verschillen van mening geweest zijn?

Natuurlijk, mijn katholieke collega keek anders tegen euthanasie aan dan ik. We hebben daar pittige discussies over gevoerd. Maar we hebben ook respect voor elkaars levensovertuiging gekregen. De samenwerking was goed. Als iemand een verzoek tot euthanasie deed, om bij dit voorbeeld te blijven, verwezen mijn collega’s ook naar mij door.

Lees meer

Lees ook het interview dat de Telegraaf had met Sonja ‘t Hart-Hartog. Hierin wordt met name de menselijke kant van haar werk benadrukt.