Waar is toch de paniek gebleven waarvoor we zo bang waren toen de coronacrisis vanuit Noord-Italië op ons afkwam? Hoe is het mogelijk dat we een pandemie met 400 duizend doden beleven alsof het een niet ongezellige autoloze zondag is?

Afgelopen zondag zou ik mijn Socrateslezing houden, waarin het veel over doodsangst gaat. Het Humanistisch Verbond had die lezing al eens uitgesteld vanwege corona en geannuleerd toen bleek dat er hooguit dertig mensen in de Rode Hoed mochten zijn.

Met pijn in het hart hebben we de lezing toen gepubliceerd op deze site en bij De Correspondent. Dat leverde veel fijne reacties op en ook de vraag die mensen mij al stellen sinds ik schrijf over mijn parkinson, het aftakelen en wat ik zal doen mocht ik ook nog dement worden?

‘Ben je niet bang?’

Als parkinson een snelkookpan is waarin je versneld afbladdert, waardoor ik op mijn zestigste met een stok  rondstrompel in het brakke lijf van een 70-plusser, dan moet corona de stresstest zijn die uitwijst of ik werkelijk zo dapper ben als ik mij voordoe.

Aan de ongemakken van parkinson wen je, gek genoeg. Meestal gaat het langzaam, die omgekeerde processie van één stap vooruit en twee achteruit. Wie het niet heeft, kan zich er meestal niets bij voorstellen – dat je went aan de pijn, het trillen of verkrampen, het tragere denken, het idee van ooit een luier.

Angst verklaart veel onbegrip, denk ik. Gezonde mensen zijn stukken banger om ziek te worden dan ik ben om nog zieker te worden dan ik al ben.

Dat is een eerste antwoord op de vraag.

***

En toen kwam corona. Ik was net begonnen te schrijven aan die Socrateslezing waarin ik zou uitzoeken hoe en wanneer ik zal kiezen voor euthanasie, toen dat virus als een vergrootglas boven mijn bange hart kwam te hangen.

Nog voordat de eerste Nederlandse coronapatiënt hoestend van zijn skivakantie in Italië was thuisgekomen, waarschuwden wetenschappers al voor paniek. Die kon wel eens erger zijn dan het virus zelf.

Dat was wel dodelijk, maar jongeren en mensen in de kracht van hun leven kregen hooguit last van milde griepverschijnselen. Het coronavirus had daardoor bijna iets menselijks.

De meeste doden waren de 80 jaar al voorbij en leden aan ouderdomskwalen waardoor ze sowieso niet lang meer te leven hadden. De Franse schrijver en beroeps-cynicus Michel Houellebecq noemde de pandemie zowel ‘beangstigend’ als ‘oersaai’, met een virus dat ‘niet eens seksueel overdraagbaar is’.

Ouderen zagen dat anders. Je zal maar 80-plus zijn – nog geen 5% van de bevolking en niet de meest mondige groep – en niet weten of je straks nog welkom bent in het streekziekenhuis. Mag jij op jouw leeftijd, zo fit als je bent, nog op de intensive care aan zo’n ijzeren long? Beschermen ze je nog boven de 75, of trekt de triage-arts al een streep bij 70?

En ik?

Op mijn zestigste ben ik niet bijzonder bang voor de dood. Dacht ik. Met wat geluk en voorbereiding kun je kiezen voor een pijnloos sterven door euthanasie of palliatieve zorg. En sinds de dood van God hoef je je ook niet langer druk te maken over het leven ná dit leven. Dat is er niet.

Toch ben ik een paar dagen wezenloos bang geweest, radeloos, in bolle paniek.

Het liep naar eind maart. Al weken volgde ik het nieuws. Sinds de uitbraak in noord-Italië in het voorlaatste weekend van februari leek het onafwendbaar dat het virus ook mijn omgeving zou bereiken, een dorp onder de rook van Groningen.

Nog altijd konden de meesten – kop in het zand – zich niet voorstellen dat het virus ons echt zou treffen. Daar waren we te goed, te rijk, te hoogopgeleid, te slim en te uitverkoren voor. We bleven nog even ons egocentrische zelf, stelde NRC-columnist Rosanne Hertzberger schuldbewust vast. ‘Kom maar door met dat coronavirus. Appeltje-eitje. Misschien zien we stiekem zelfs alle voordelen van de pandemie.’

Kon corona volgens Amerikaans onderzoek wel tot 2022 duren? Wij bleven denken dat een warme zomer het virus wel zou opruimen.

Vielen je inkomsten weg door de lockdown? De compensatie van Rutte bood soelaas.

***

henk blanken – foto gerard wessel

Armpje drukken met God

De Socrateslezing door Henk Blanken over de dood, het verval en wat dat met een mens doet. Lees zijn volledige verhaal hier.

Doodsangst kan heel nuttig zijn, vooral als je het kunt navertellen. Nu de coronacrisis achter de rug lijkt, kijken we verbijsterd terug op die tien weken lockdown. Waren wij dat? Niemand had haast. Iedereen zou voortaan alles anders doen. En wat wáren we lief voor elkaar.

Van gedeelde angst worden mensen – net als van gedeelde smart – eerst menselijker; we kruipen bij elkaar op schoot als we griezelen om een rampenfilm. Pas als we de angst niet meer kunnen relativeren – ‘het is maar een film, joh’ – worden we weer wie we waren. Wat wil zeggen: meestal helemaal niet zo lief.

We zullen ons deze eerste coronacrisis niet heugen van de paniek, eerder van de berusting waarmee we het ‘nieuwe normaal’ van Mark Rutte accepteerden. De orde van de  anderhalve meter. Geen handen schudden. Thuis werken. En ja, zelfs dat mondkapje waarvan niemand precies weet waarom het moet, wanneer en voor wie, maar dat kennelijk een grote symbolische betekenis heeft, als een crucifix in de kerk.

Het leek wel één lange autoloze zondag. Onhandig, vervreemdend en vast een signaal van grotere sores – maar ook wel gezellig, toch? – samen aan de keukentafel met de Kolonisten.

Waarom slaat bij mij dan toch ineens de angst toe?

Het loopt naar eind maart. De golf besmettingen is nog niet op z’n hoogtepunt, maar de beschikbare IC-bedden zijn bijna allemaal vol. Artsen leggen uit wat het zwartste scenario is: als triage moet beslissen wie wel en wie niet geholpen wordt. Mijn geloofsbrieven – 60 plus en naast parkinson ook hartpatiënt – zijn op z’n best dubieus.

Daar komen twee dingen bij. De foto van een patiënt op de intensive care, aan de beademing, plat op z’n buik, en wat dat met je longen doet mocht je de IC levend verlaten. En het verhaal over een man die kerngezond leek, het virus opliep, in een ziekenhuis in coma werd gebracht, op de IC aan de beademing gelegd, en sterft.

Die man ging dood voordat hij er erg in had.

Doodgaan was tot daaraan toe, maar dit was mij te grillig, te onberekenbaar, te plotseling. Dat ik niet bang dacht te zijn van de dood was slechts onder voorwaarden waar. Ik moest bijvoorbeeld nog jaren leven en wel de controle houden.

Ik schreef een nieuwe niet-behandelverklaring. Als dat virus mij te pakken krijgt, hoef ik niet naar een IC en aan de beademing, zoals ik bij een hartaanval ook geen reanimatie wil; de kans dat er iets leefbaars overblijft is me te klein.

Geef mijn bed maar aan iemand met betere kansen en een beter humeur.

Laat mij maar thuis.

Laat mij maar gaan.

***

We zullen na de lockdown niet in een andere wereld wakker worden; het zal dezelfde wereld zijn, alleen wat erger.

Door corona leerde ik dat doodsangst niet in de eerste plaats over de dood gaat, maar over het leven. Dat is een paradoxaal en niet heel prettig besef. Met mijn dood kan ik leven, maar leven zelf blijkt lastiger. Ik bedoel dit: het valt me zwaar dat ik geen betere wereld achter kan laten, dat ‘dit alles is’, en dat ik volgende generaties opzadel met zoveel lelijks.

Dat klinkt hoogdravender dan ik het bedoel en ik wil mij niet voordoen als de activist die ik vooral niet was.

Nog steeds ben ik banger voor dat virus dan ik dacht te kunnen worden, maar niet meer zo buitensporig als die week in maart. Ik ben een pessimist, maar minder cynisch dan Michel Houellebecq, volgens wie we ‘na de lockdown niet in een andere wereld wakker worden; het zal dezelfde wereld zijn, alleen wat erger.’

Al die fantastische voornemens die we bleken te hebben toen we drie weken thuis werkten. Waaraan we onze quality time gingen besteden. De mountainbike die we eindelijk zouden kopen. De ratrace waar we uit zouden stappen. Hoe we nu toch heus iets aan dat klimaat gingen doen.

Ik verwacht ook niet in een andere wereld wakker te worden, niet vóór en niet ná mijn dood. We moeten het doen met de wereld die we hebben, en die kan best wat beter.

Nog geen half jaar geleden konden we ons niet voorstellen dat er ooit een pandemie zou uitbreken – en juist daarom brak hij uit, realiseerde ik me na Zoönose, het verhaal dat de Amerikaanse wetenschapsjournalist David Quammen tien jaar geleden al schreef over dodelijke virussen als SARS, ebola en HIV.

Om een nog geraffineerder virus het hoofd te kunnen bieden, moeten we ons kunnen voorstellen waartoe het in staat is. De verbeelding die we daarvoor nodig hebben gebruikten we tijdens de huidige crisis om ons een andere wereld ‘te denken’, de wereld ná het virus.

Zouden we die collectieve verbeelding ook kunnen mobiliseren zonder dat virus?

HENK BLANKEN

Schrijver en journalist Henk Blanken publiceert over dood en aftakeling in de Volkskrant, De Groene, De Correspondent, Die Welt en The Guardian.

Bij De Correspondent verscheen recent Beginnen over het einde, een boek over euthanasie bij dementie. Naasten moeten daarbij een grotere rol krijgen, bepleit hij met het Humanistisch Verbond in een manifest dat door 14 duizend mensen is ondertekend.

Dit voorjaar zou hij de Socrateslezing geven. Door de crisis ging dit niet door. We publiceerden zijn lezing online, waarop lezers vragen konden stellen. Op basis van die vragen schreef Blanken bovenstaand vervolg.

DE SOCRATESLEZING

De Socrateslezing van het Humanistisch Verbond geeft commentaar op maatschappelijke ontwikkelingen vanuit een humanistisch perspectief. Bekende Nederlandse – en internationale – schrijvers, filosofen, wetenschappers en kunstenaars, zowel denkers als doeners, gaven de lezing. Eerder werd de lezing gehouden door Paul Scheffer, Bas Heijne, Stine Jensen en Joris Luyendijk.

Henk_Blanken_auteursportret_credit_Harry_Cock_highres (1)

Henk Blanken

journalist en schrijver

Henk Blanken (1959) is journalist en schrijver. Hij schreef voor de Volkskrant, De Groene Amsterdammer en The Guardian. Voor zijn …
Profiel-pagina