‘Homo’s zijn gewoon ziek in hun hoofd.’ Een onderuitgezakte jongen achter in de klas roept het naar me tijdens een les burgerschap op een middelbare school in Haarlem. Een paar jongens achterin beginnen te grinniken, anderen schrikken en een meisje voorin kijkt boos achterom. Wat doe je? Doorvragen? De jongen de les lezen? Vragen hoe anderen er over denken? Of misschien gewoon negeren, het niet groter maken dan het al is?

In dit stuk breek ik een lans voor het warm verwelkomen van extreme opvattingen in de klas, juist omdat ze een uitgelezen kans zijn voor de vorming van onze toekomstige volwassen burgers. Maar het vraagt wel openheid en stevigheid van de leerkracht. Hoe je omgaat met zulke opmerkingen hangt af van je opvatting over burgerschapsvorming in het onderwijs. Burgerschap is wat mij betreft geen extra vakje, maar het bestaansrecht van onderwijs. Alles wat je doet in het onderwijs draagt bij aan burgerschap.

Gert Biesta maakte het onderscheid tussen kwalificatie, socialisatie en persoonsvorming als kerndoelen van het onderwijs. Voor velen wordt de laatste, en soms de laatste twee, gezien als burgerschapsvorming: leerlingen moeten zichzelf vormen tot zelfbewuste en sociaal betrokken mensen. Maar ook de kwalificatie, het leren van een vak, is in essentie burgerschapsvorming. Het leren uitvoeren van een vak, op een goede manier, is voor veel leerlingen de kern van hun burger zijn. Dat je niet alleen een vaardige automonteur bent, maar ook een goede automonteur, die in staat is zich te verhouden tot verschillende collega’s en klanten. Als alles bijdraagt aan burgerschapsvorming, dan is een goede visie op burgerschap niet alleen belangrijk maar een noodzakelijke voorwaarde voor goed onderwijs.

De Onderwijsinspectie wees er in 2017 op dat het aan die heldere visie en dito handelen op veel scholen nog ontbreekt. Er worden wel losse burgerschapsactiviteiten ondernomen, maar een geïntegreerd aanbod mist. Het is ook niet eenvoudig. Zoveel burgers, zoveel visies op goed burgerschap, lijkt het soms. En ook willen we niet betrapt worden op indoctrinatie.
Vroeger waren dingen niet altijd beter, maar soms wel duidelijker. Maar wat toen niet ter discussie leek te staan, staat dat nu wel. In een land met inwoners met zoveel diversiteit in achtergrond en herkomst, met zoveel visies op goed leven, komen we niet meer weg met de gehoorzame burger als leidmotief. Wat dan wel?

Kritisch-democratisch burgerschap

Prof. Wiel Veugelers (Universiteit voor Humanistiek) maakte al jaren geleden het onderscheid tussen drie soorten burgerschap: aanpassingsgericht (als individu aanpassen aan de normen en waarden van de samenleving), individualistisch (iedermens mag zelf bepalen welke burger hij is binnen de grenzen van de wet) en kritisch-democratisch (een goede mix van de eerste twee met de democratische waarden als grondslag).

Het kritisch-democratisch burgerschap is een nastrevenswaardig ideaal: de burger wordt gestimuleerd om zich democratische waarden als vrijheid, gelijkwaardigheid en rechtvaardigheid eigen te maken, en ondertussen de eigen maatschappijkritische houding te vormen. Maar hoe stimuleer je gelijkwaardigheid als die er duidelijk niet altijd is? En hoeveel kritiek mag er zijn voordat het doorslaat naar asociaal individualisme? Mag je als kritisch-democratische leerling zeggen dat homo’s ziek in hun hoofd zijn?

Een mogelijke oplossing is: maak het gesprek over wat goed burgerschap is onderdeel van het burgerschapsonderwijs zelf. Als volwassenen er al zo over van mening verschillen, laten we dan niet doen alsof er één visie op goed burgerschap is waar we leerlingen toe vormen. Begeleid als leraar het gesprek over wat leerlingen vinden dat goed samenleven is in een democratie. Bij zo’n gesprek hoort een aantal spelregels: simpele dingen als naar elkaar luisteren en een bereidheid om je mening te onderbouwen met argumenten. Niet wegkomen met: ‘maar dat vind ik gewoon’, of ‘dat zegt mijn geloof nou eenmaal’. Maar daar hoort ook bij dat je als leerkracht niet een neutrale procesbegeleider blijft, maar ook zélf verschijnt als kritisch-democratisch burger, met een eigen opvatting over zaken. En dat is nou precies waarom we burgerschapsonderwijs zo moeilijk vinden.

Ruimte voor onveiligheid

Carolien Zwart, docent Nederlands aan ROC Midden- Nederland in Nieuwegein, is gewend aan stevige meningen in de klas en vertelt dat de essentie zit in juist als docent zelf open zijn. ‘Ik ben het er helemaal niet mee eens met dat je als docent neutraal moet zijn en je niet te veel bloot moet geven, iets dat ik ook in de opleiding en van veel andere docenten hoor. Of ik drugs heb gebruikt, hoe het met mijn relatie is, ik vertel alles. Door mijn openheid durven ook zij zich te openen en te vertellen wat ze vinden en voelen. Daarbij is hoe ik in het leven sta voor veel van de jongens in mijn klassen ook een manier om in aanraking te komen met iemand die anders denkt dan ze gewend zijn. Hierdoor kunnen ze hun eigen blik
ook weer verbreden.’

Naast openheid is het ook nodig om zelf meningen in te brengen in gesprekken in de klas. ‘Ik vertel ze nooit wát ze moeten vinden, maar wel dát er andere meningen zijn, bijvoorbeeld dat er ook andere woorden voor vrouwen zijn dan ‘wijven’. Mijn missie met burgerschap is dat ik ze probeer te begrijpen en laat merken dat ze gehoord worden. Sinds ik de theorie van Bart Brandsma heb leren kennen over polarisatie probeer ik ook juist meer aandacht te geven aan de minder extreme meningen in de klas. Maar ik trek nooit een grens. Alles mag bij mij gezegd worden.’

Ook NieuwWij laat met hun training ‘effectief nuanceren’ zien hoe belangrijk het is om extreme meningen in de klas serieus te nemen. De training leert dat door goed door te vragen en er vervolgens, met permissie van de leerling, iets anders naast te zetten (een mening, nieuwe feiten of een persoonlijk verhaal), de leerling toch gehoord wordt en daardoor op zijn minst de eigen opvatting even tussen haakjes heeft gezet.

Risico en relatie

Personen vormen zich in relatie. Als de docent neutraal blijft, mist hij de karakteristieken van een mens met wie je een relatie kunt aangaan. Burgerschapsonderwijs werkt beter als je als docent zelf als kritisch-democratisch burger durft te verschijnen. Niet alleen het proces begeleiden, maar ook het ouderwetse ‘goede voorbeeld’ geven. Spannend, want je bent er als persoon bij betrokken, en succes is niet altijd verzekerd. Het prachtige risico van onderwijs noemt Gert Biesta dat. Het maakt het ook een hele waardevolle benadering, want juist door die betrokkenheid is er menselijk contact, en daarin is de kracht gelegen van het vormende werk dat we doen

De jongen met de stevige mening over homo’s met wie ik dit artikel begon kreeg van mij een weerwoord. Ik vertelde hem dat hij alles mag zeggen, ook dat. Ik vroeg door. Hij vertelde dat homo’s kunnen kiezen om het niet te zijn. Ik zei dat hij mag vinden dat homoseksualiteit een keuze is, maar dat het een wetenschappelijk feit is dat het geen keuze is maar aangeboren. Ik vertelde het verhaal van een vriend van me die lang had gewild dat homoseksualiteit een keuze was, dan had hij er niet voor gekozen, en was hem een hoop ellende bespaard gebleven. Aan het einde van de les vertelde de leerling dat hij het nog steeds moeilijk vindt, maar dat homo’s er van hem wel mogen zijn. Ik was trots op hem. Hij maakte een kleine nuance in zijn denken met een grote maatschappelijke impact.

Dit artikel is eerder verschenen als bijdrage aan  Van Twaalf tot Achtien, vakliteratuur voor professionals in het onderwijs. 

mark bijlmer klein voor site hv

Mark Bos

Programmamanager onderwijs

Profiel-pagina