“Veel mensen maken op zeker moment in hun leven een crisis mee – je verliest een kind, een geliefde, een baan. Je wordt om een of andere reden beschuldigd, verguisd, genegeerd. Je wordt van je troon gestoten, je voelt je klein en vernederd of in de steek gelaten. Dat kan iedereen overkomen. De vraag is: hoe ga je ermee om? Ik kan me zo goed voorstellen dat je rancuneus wordt. Haatdragend. Gefrustreerd. Paranoïde. Wraakzuchtig. Mijn grote dilemma nu: hoe ga ik om met mijn kwetsuur? Hoe zorg ik ervoor dat ik niet rancuneus word?”

We spreken elkaar via Zoom, op een vroege grijze morgen in maart. Abdelkader Benali zit in zijn werkkamer in zijn huis in Amsterdam Nieuw-West. Een paar maanden zijn voorbijgegaan sinds hij zich terugtrok als spreker van de 4 mei-lezing. Nog steeds klinkt hij aangeslagen en verbijsterd door de orkaan van beschuldigingen waarin hij terechtkwam na de aankondiging dat hij deze prestigieuze toespraak in de Nieuwe Kerk ter gelegenheid van de Nationale Dodenherdenking zou uitspreken. Het jaar ervoor had de toespraak van Arnold Grunberg – waarin hij zich als Jood solidair verklaarde met gedemoniseerde moslims – veel indruk gemaakt.

De aanleiding voor het tumult: Benali en journalist Harald Doornbos hadden in 2006 samen een borrel gedronken in Beiroet, waar beiden verslag deden van de oorlog tussen Israël en terreurbeweging Hezbollah. Vier jaar later, in 2010, schrijft Doornbos in een column dat Benali tijdens die slemppartij beweerd zou hebben over Amsterdam-Zuid: ‘Jemig, daar blijkt het vol te zitten met Joden. En het vervelendst is: het zijn zo veel Joden! Amsterdamse Joden. Je voelt je als Marokkaan nauwelijks op je gemak. Het lijkt Israël wel. Heel irritant allemaal. Zo veel Joden, dat voelt gewoon gek aan.’

BEELD_HUMAN_LENTE_2021_LUMEN-PPR-54804 (1)
Beeld door: Philip Profily / Lumen Photo

Na de bekendmaking dat Benali de 4-meilezing zou uitspreken, kwam die column weer boven tafel en waren de poppen aan het dansen. Benali gaf onder druk de opdracht terug aan het Nationaal Comité 4 en 5 mei. “In 2010, nadat die column was gepubliceerd, voelde ik vooral wrevel. Waarom leverde die man mij deze rotstreek? Waarom maakte hij woorden die ik in de privésfeer had gesproken openbaar? Had hij niet door dat hij me neerzette als een klassieke antisemiet? Hij kende me nauwelijks, maar iedereen die mij een beetje kent, weet dat ik dat niet ben. En waarom heeft hij me tóén niet aangesproken, waarom heeft hij niet gezegd toen we aan het grappen waren en ik domme dingen zei: ‘Benali, wat maak je me nou, je klinkt als een racist, meen je dit echt?’ Dan ga je niet nog een wijntje voor me halen.”

In de tien jaar die volgden is er niemand geweest die over die column is gevallen, benadrukt hij. “Geen journalist heeft ooit om uitleg gevraagd, geen maatschappelijke organisatie om excuses. Sterker: ik kreeg altijd complimenten als ik me uitsprak over racisme in mijn werk, in interviews, op podia, in panels. ‘Wauw, Benali steekt zijn nek uit, hij is onbevooroordeeld. Knap!’” En toen barstte de bom. In het begin dacht hij nog de zaak te kunnen redden, maar al snel voelde hij alle draagvlak wegsijpelen. “Ik zat op de stoel waar ik nu ook op zit, mijn epicentrum. Ik was de hele dag aan het praten met allerlei Joodse maatschappelijke instanties, volwassen gesprekken met verstandige mensen, maar onderwijl zag ik wat op Twitter gebeurde: schelden, islamofobie, racisme. Ik zag mijn vrouw en dochtertje door het huis lopen en werd bang. Ik dacht: als ik blijf vechten voor de zaak, worden nog meer mensen boos. Wie weet gaat het escaleren. Ik wilde niet dat mijn veilige cirkel – mijn vrouw, mijn kinderen, mijn vrienden – ook angst zouden gaan voelen. Toen wist ik: ik moet me terugtrekken. Ik wil straks niet met bewaking naar een katheder lopen.”

Nadat hij de opdracht had teruggegeven, volgde de opluchting. “Ik voelde me verlost en blij. Alsof ik gegijzeld was geweest en mezelf uit de ketenen had verlost. Ik ben gaan praten met allerlei mensen – ik houd van praten, en het lucht ook op. Met Joodse Nederlanders als Ruben Oppenheimer, Chaja Polak, Natascha van Weezel. Hun steun was overdonderend, net als die van onbekende mensen die me belden of mailden. Er verschenen stukken in de pers met nog meer steun, van Zihni Özdil, Rosanne Hertzberger, Robert Vuijsje. Al die aandacht was even prachtig, maar daarna ben je weer alleen. Op jezelf teruggeworpen. En dan daalt de somberheid neer: wat heeft dit allemaal voor zin gehad? Een leeg gevoel ook. Ik heb ze niet kunnen overtuigen, ik heb mezelf niet kunnen laten zien.”

Goed verhaal?

Dit en andere journalistieke verhalen vind je in ons magazine HUMAN INC.

Benali worstelt vooral met de heksenjacht op hem, de demonisering van zijn persoon. Inmiddels begrijpt hij hoe het voelt wanneer je wordt beschuldigd van een misdaad, als de wereld je al bij voorbaat veroordeelt – denk aan de slachtoffers van de toeslagenaffaire. “Dan wordt het koud om je heen. Dan ga je je toch afvragen of er een godsoordeel bestaat, of het Kwade zich manifesteert in een totaal nihilisme. Gelukkig heb ik warm gezin, dat helpt, maar hier had ik niet voor getekend. Alles waaraan ik heb gebouwd in 25 jaar schrijverschap is gebaseerd op humanistische waarden. Verdraagzaamheid, de ander zien, de nuance opzoeken, de kracht van het verhaal, blabla … En dan word je met één vingerknip uit dat kamp verwijderd, uit de samenleving die jou betekenis geeft, die je moed inspreekt en waardeert. Er wordt je iets afgenomen: je waardigheid. Je wordt kwetsbaar uit angst voor het verlies.”

Momenteel wisselen goede dagen, waarop hij hard werkt, zich af met slechte. Op die dagen, zegt Benali, “is verbittering een plek waar je heel goed kan wonen. Godzijdank kan ik erover praten, erover schrijven. Ik krijg de ruimte om die emoties plat te walsen.” Gewetensvraag: verwart hij verlies van waardigheid niet met verlies van ego? Goede vraag, zegt hij: ook dat is een dilemma waarmee hij worstelt. “Soms vraag ik me af: gaat dit over mij, of over iets fundamentelers? Het is ook fijn om tegen jezelf te zeggen: het is allemaal maar ijdelheid. Dat je om jezelf kunt lachen. Maar soms wint de angst voor het verlies, want ik wil iets betekenen in deze wereld, en de ander waardig zijn.”

Uiteindelijk, zegt hij, gaat dit alles over veerkracht. “Hoe ga je om met een crisis in het leven? Hoe veer je op na tegenslag?” Een pasklaar antwoord heeft hij niet, wel weet hij dat je het niet alleen kunt. “Ik had al snel door: Abdelkader, je moet niet naar binnen klappen, je moet naar buiten stappen. Je móét erover praten. Maar niet iedereen kan dat. Daardoor is er veel eenzaamheid, veel sociale pijn. Die mensen moet je erbij zien te houden. Daarom zet ik me ook in voor laaggeletterdheid. Bij deze mensen zit veel schaamte over hun onvermogen, waardoor ze blokkeren. En, ook heel belangrijk: wordt niet rancuneus, blijf openstaan voor de samenleving.”

Diepe zucht. “Je kunt me inhuren als een crisismanager. Echt. Deze ervaring wil ik gebruiken om een beter mens te worden. En om anderen te helpen, want ik herken meteen de pijn, ik zie waar het emotionele lek zit. Bij mij is het mijn waardigheid: die niet verliezen voelt als het meest fundamentele gevecht.”

De voordracht van Benali in de Nieuwe Kerk gaat niet door, maar is wel uitgebracht als boek: De stilte van de ander (De Arbeiderspers) en zal op 4 mei worden uitgesproken tijdens een herdenkingsprogramma in het Arminius debatpodium in Rotterdam. De avond is online te volgen vanaf 20.30 uur. Tickets (€ 7,50): bestel hier of mail naar publiciteit@arminius.nl.

jose rozenbroek

José Rozenbroek

Hoofdredacteur HUMAN INC.

José Rozenbroek is hoofdredacteur van HUMAN INC., het tijdschrift van het Humanistisch Verbond.
Profiel-pagina