“Vijf jaar geleden”, zegt directeur Dyane Brummelhuis (56), “was het Mundus een zwakke school. De kwaliteit van het onderwijs was niet goed, we hadden veiligheidsissues. Er heerste hier een straatcultuur. Als je iets tegen een kind zei, kreeg je een grote mond. Als vrouw werd je soms niet serieus genomen. We kwamen niet aan leren toe. Docenten waren al blij als de leerlingen er wáren.”

Het Mundus College is een school voor vmbo- en praktijkonderwijs (praktijk is wat vroeger lom heette). Daarnaast is er een grote isk-afdeling (internationale schakelklas), waar nieuwkomers in een of twee jaar de Nederlandse taal en cultuur worden bijgebracht voordat ze verder doorstromen naar het reguliere onderwijs. De school telt bijna duizend leerlingen en 68 verschillende nationaliteiten, en staat in Amsterdam Nieuw-West, een buurt met overwegend mensen met een migratie-achtergrond. Een fris en ruim gebouw, met een grote entree waar achter een balie de pedagogische conciërges staan, herkenbaar aan hun identieke polo’s. Ze zijn altijd aanspreekbaar voor leerlingen en ouders en handelen onmiddellijk mocht er iets aan de hand zijn.

In haar onberispelijke crèmekleurige mantelpak ziet Brummelhuis er eerder uit als een CEO in het bedrijfsleven dan als een schoolleider. Toen ze vijf jaar geleden begon als directeur op het Mundus, stond ze voor de uitdaging de school weer uit het slop te halen. Ze vertelt over haar leerlingen, hoe die vrijwel zonder uitzondering een laag sociaaleconomische achtergrond hebben.

“Veel van hen leven in armoede, met veel verborgen leed achter de huisdeur: werkloosheid, vluchtelingenproblematiek, trauma’s, huiselijk geweld, krappe behuizing. Deze kinderen krijgen van huis uit weinig mee. Hun ouders hebben vaak grote moeite om het hoofd boven water te houden, dan zit je niet ’s middags met de thee klaar voor een goed gesprek en dan wordt er niet voorgelezen bij het naar bed gaan. Dan sta je al met 3-0 achter bij witte kinderen uit hogere milieus. En dan wordt er ook nog vaak door de basisschool een lager advies gegeven dan misschien wel nodig: ‘Als je nu eerst eens vmbo-basis doet, kun je daarna nog altijd kader doen.’ Die kansongelijkheid wordt steeds groter. Dat is misschien wel het grootste dilemma van deze tijd.”

Ontvang nu gratis!

De beste verhalen over opvoeden en loslaten.

De taak van haar school, zegt Brummelhuis, is om deze kinderen de kans te bieden te ont- snappen uit die lage status. En daarvoor zullen ze toch moeten léren. Bij veel vluchtelingen- kinderen ontbreekt het vaak niet aan ambitie. “Die komen uit een land waar ze geen enkele kans hadden, die willen zó graag vooruit. Vaak is er ook de opdracht uit het thuisland: jij moet advocaat of dokter worden. Dat legt een enorme druk.”

Sommige kinderen zijn in het thuisland nauwelijks naar school geweest en hebben geen benul hoe je je in een klas moet gedragen. “Bulgaarse knullen die opeens naar buiten lopen om een sigaret te roken.” Of die Marok- kaanse jongen die steeds op de lichtknopjes sloeg. Glimlachend: “Na een jaar had hij een brilletje op en kon hij keurig schrijven.”

Hoe zorgt ze ervoor dat die kansongelijkheid kleiner wordt? Hoe is het Mundus weer een goede school geworden? “We hebben de Nederlands-Marokkaanse socioloog Iliass el Hadioui gevraagd ons te helpen. Hij heeft een boek geschreven: Hoe de straat de school binnenkomt. In masterclasses heeft hij inzichtelijk gemaakt hoe deze kinderen te maken hebben met drie culturen: die van thuis, die op straat en die op school.

Stel, je bent een moslimtiener, thuis ben je de oudste zoon, je bent lief voor je moeder, je hebt ontzag voor je vader, het hoofd van het gezin. Je wordt strak gehouden. Maar op straat gelden andere regels. Daar ben je the man als je grof bent, als je vrouwen gebruikt en minacht, als je een snelle scooter of auto hebt. Overigens zie je dat ook steeds meer meisjes zich laten gelden. uis worden ze klein gehouden, maar op straat willen ze gezien worden. Dat vertaalt zich in uitdagende make-up en kleren, bitch fighting.

En dan heb je nog de schoolcultuur: heel feminien, met veel reflecteren, overleggen, schrijven. Zo’n kind moet de hele tijd schakelen. De status die hij op straat heeft wil hij ook op school handhaven. Hij luistert niet naar de leraar, is constant in verzet. Daar sta je dan als witte, hoogopgeleide man of vrouw voor de klas. Hoe moet je zo’n kind aanpakken?

Vaak gaan docenten in hun macht zitten, dat heb je je immers geleerd vanuit je eigen schoolcarrière: jij bent de baas. Maar daar hebben sommige leerlingen helemaal geen boodschap aan. Ze komen binnen in de klas: jas aan, pet op, oortjes in, muziekje, kletsen, kabaal. Voor je het weet ben je het hele lesuur alleen maar bezig met orde handhaven.”

Vervolgens liet ze coaches van minuut tot minuut registreren wat er gebeurt in de klas, hoe leerlingen steeds weer proberen klas- genoten van de schoolladder te trekken, de straatladder op. “Een voorbeeld: een jongen weigert zijn jas uit te doen. De docent gaat met hem de strijd aan. Voor je het weet zijn er weer vijf minuten voorbij. Je kunt ook denken: ik negeer deze jongen, ik ga over op de lesstof. Na afloop van de les spreek je hem aan op zijn gedrag.”

Alle docenten zijn inmiddels bijgeschoold. “Je probeert ze te coachen, maar als het echt niet gaat, dan moet je afscheid van ze nemen. Je pedagogisch vakmanschap moet op dit soort scholen zo verschrikkelijk goed zijn.” Daarnaast hoeven niet alle docenten alles te kunnen: “Als er iets in de wereld gebeurt, een terroristische aanslag bijvoorbeeld, dan moet je daar met de leerlingen over praten. Niet iedereen kan dat even goed, dus dat wordt gedaan door speciaal opgeleide docenten.”

De school doet ook veel aan talentontwikkeling. Leerlingen maken twee keer per jaar een keuze uit 52 workshops van acht weken die na schooltijd worden gegeven. “Voetballen, zingen, pianospelen, dansen – ze mogen kiezen wat ze leuk vinden, maar ze moeten wél komen en meedoen – het verslag gaat in hun portfolio. Op die manier zijn ze van de straat, en, nog belangrijker, zo ontdekken ze hun talenten en wordt hun zelfvertrouwen vergroot.”

Die ‘holistische aanpak’ begint zo langzamerhand zijn vruchten af te werpen. De school scoort inmiddels een voldoende, meer leerlingen stromen door naar het mbo. De school is ook weer populair bij ouders en kinderen, en aan leraren die op het Mundus willen werken geen gebrek.

Maar, zegt Brummelhuis, zaak blij om waakzaam te zijn. “Als je éven niet oplet of de teugels laat vieren, dendert de straatcultuur de school weer in.”Ook blij het lastig het zelfvertrouwen van de leerlingen op te krikken. “We waren laatst op bezoek bij burgemeester Halsema. Zegt zo’n jongetje: ‘We hebben hetzelfde bloed en dezelfde botten, waarom worden we als anders gezien?’ Een andere jongen zei: ‘Luister me- vrouw, ik vind dat we met kinderen van andere scholen in een sportteam moeten zitten. Dan voetballen we mét de kinderen van Zuid in plaats van tegen hen.’ Dat vond de burgemeester een fantastisch idee.”

Hoe houdt ze haar eigen motivatie op peil? Ze zucht. “Soms wil ik ook wel rector van een wit gymnasium zijn. Aan de andere kant: ik hou van deze kinderen. Ik heb een eindeloos geduld met ze.” En, zegt ze: “Mijn vader zat bij de NAVO, ik heb in het buitenland gewoond, ik wéét hoe het voelt als je de nuance in de taal niet kan leggen, wanneer je emoties niet altijd even goed kan verwoorden. Ik heb geen roots, ik kom nergens vandaan. Ik heb me altijd moeten verhouden tot mensen die anders waren. Dat komt me nu van pas.”

En dat mantelpak en die hakken; draagt ze die voor zichzelf, voor de journalist of voor haar leerlingen? “Voor mijn leerlingen. Die kunnen zo waarderend zeggen: ‘Juf, wat ziet u er mooi uit.’ Ik draag ook liever een jogging- broek en gympen, maar op hakken straal ik gezag uit. Ik wil dat de kinderen trots op mij zijn en waar ik voor sta: het Mundus College.”<