Beleidsmakers, ambtenaren en politici betrekken burgers te weinig bij de inrichting van het land. Daardoor blijven kansen onbenut en kunnen burgers zich afwenden van de democratie, dat blijkt uit het WWR-rapport ‘Vertrouwen in burgers’ van Pieter Winsemius.

“Beleidsmakers moeten vanuit de burger leren denken. En daarvoor is een cultuuromslag nodig, constateert oud-minister, Van Praagprijswinnaar en lid van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) Winsemius. “De meeste beleidsmakers zijn individueel prima. Maar ze stagneren als collectief. Ze zitten te vaak aan dezelfde vergadertafels met dezelfde mensen. Hun waarheden stemmen niet meer overeen met de werkelijkheid van burgers”, merkte Winsemius toen hij zelf voor ander onderzoek voor de WRR scholen en wijken bezocht. “Zoek burgers op, zie wat er leeft en sluit aan bij hun netwerken”, is daarom zijn advies.

Tegenspel

Het past lang niet altijd binnen het wereldbeeld van de beleidsmakers dat burgers experts kunnen zijn. “Maar goede beleidsmakers hechten juist aan tegenspel,” denkt Winsemius.
“Ze nodigen daar juist toe uit, zoals de site hackdeoverheid.nl, bedoeld om de overheid scherp te houden. Cruciaal is dat de overheid de burgers toegang geeft tot noodzakelijke informatie. Open data dus. Dat kan tot mooie resultaten leiden. Denk aan de Eet Wijzer-app waarmee consumenten een verantwoorde voedingskeuze kunnen maken in de supermarkt.”

Uit het rapport blijkt dat 30 tot 35 procent van stemgerechtigden wel wil bijdragen aan beleid, lokaal of nationaal. 15 procent is volgzaam: zij voelen zich minder toegerust iets bij te dragen. Een kwart tot 30 procent voelt zich niet aangesproken en 15 procent is kritisch en denkt in wij-zij termen over de overheid. Deze groep heeft de grootste kans om af te haken.

Winsemius denkt dat we alle soorten groepen kunnen activeren. “Belangrijk voorwaarde daarbij is om aan te sluiten bij wat burger in hun alledaagse omgeving aan invloed kunnen uitoefenen. Winsemius: “Een voorbeeld is burgernet. Als er een gele Kia gestolen is kan de politie een SMS-alert naar burgers versturen en daarmee de misdaad verkleinen. Een ander voorbeeld uit de gemeente Den Haag: die zette 1000 burgers in om de beruchte nieuwjaarsviering in goede banen te leiden. Het werkte.

Naast het vertrouwen in de overheid is ook het vertrouwen tussen burgers onderling van belang. Daarvoor is ‘tegenbinding’ nodig in plaats van samenbinding. Winsemius: “Het is een term die ik van socioloog Kees Schuyt heb overgenomen. De overheid zou burgers die niets met elkaar te maken hebben meer moeten verleiden tot een civiele omgang van burgers in de gedeelde ruimte. Winkelgebieden, pleinen, parken etc. zouden zo ingericht kunnen worden dat de kans op toevallige ontmoeting wordt vergroot. Daardoor leren ze gezamenlijke problemen samen op te lossen.”

Tegenbinding

Een mooi voorbeeld van tegenbinding zijn de stiltecoupés in treinen waarbij burgers elkaar aanspreken op hun gedrag. Radicaler zijn initiatieven waarbij brede wegen worden versmald zonder de klassieke bordjes om duidelijk te maken welke weggebruiker voorrang heeft: ‘jullie zoeken het onder elkaar maar uit’, is de boodschap. Burgers blijken dat zelf heel goed op te kunnen oplossen, blijkt uit dit voorbeeld en de vele andere voorbeelden uit het rapport.

Pieter Winsemius ontving in 2011 de Van Praagprijs voor zijn bijdragen aan Duurzaamheid en kwaliteit van samenleven. De Van Praagprijs is een oeuvreprijs voor iemand die zich op een zinvolle en aansprekende wijze inzet voor een menswaardiger en rechtvaardiger samenleving.

Redactie Humanistisch Verbond / HUMAN