Enkele zomers geleden nodigde een Duitse katholieke organisatie mij uit voor een conferentie over Europa. Drie dagen lang verbleef ik in een prachtig hotel, met heerlijk eten, goede wijnen en aangenaam gezelschap. Hoewel ik niet van katholieke huize ben, voelde ik me op mijn gemak. Dat veranderde de laatste dag. Na een lezing van een historicus over Duitse kolonisten in Rusland die tot in de twintigste eeuw probleemloos heen en weer pendelden, vroeg ik of circulaire migratie ook in onze tijd geen goed idee was. Zouden veel problemen rondom migratie niet worden voorkomen als mensen makkelijk heen en weer kunnen reizen? Mijn vraag was geboren uit nieuwsgierigheid: zou wat in het verleden werkte ook nu goed kunnen uitpakken? De voorzitter van de conferentie dacht van niet. Hij beet me toe dat deze vraag niet gesteld mocht worden, zeker niet in het Duitsland van na de ‘vluchtelingencrisis’. Merkels ‘Wir schaffen das!’ had krachten ontketend die zo snel mogelijk moesten worden beteugeld. Een vraag naar circulaire migratie paste daar niet bij. Vervolgens kreeg ik geen kans meer nog iets in te brengen. Hoe geduldig ik mijn hand ook ophield, de voorzitter negeerde me. Het was lang geleden dat ik zo geschoffeerd was.

Na afloop luchtte ik mijn hart bij de andere congresgangers, die meer vertrouwd waren met het katholicisme dan ik. Ze gaven me gelijk, het was een autoritaire reactie van de voorzitter, maar het was zinloos je daartegen te verzetten. Zo werkte het niet in de katholieke kerk, zeiden ze, je moest niet denken dat je dat in je eentje kunt veranderen. Al helemaal niet als vrouw. Hun laatste opmerking maakte een oud anti-katholicisme in me wakker. Opvattingen uit mijn jeugd borrelden op: ‘Katholieken zijn liederlijk, gooien geld over de balk en weten zich seksueel niet te beheersen, vooral niet tijdens carnaval. Geen wonder dat ze minder rijk en welvarend zijn dan wij gematigde en vlijtige protestanten!’ De religieuze omgeving waarin ik opgroeide, echode zonder dat men dat wist de woorden van de Duitse socioloog Max Weber, die de rijkdom en welvaart onder protestanten toeschreef aan hun calvinistische ethiek.

Uit puberaal verzet tegen dit anti-katholicisme stapte ik op mijn vijftiende over van een protestantse naar een katholieke middelbare school. Daar liet ik het geloof voor wat het was en besloot ik dat religieuze geaardheid geen grond voor vijandschap kon zijn. Dat dit besluit eenzijdig was, bleek toen ik rond mijn vijfentwintigste thuiskwam met een geliefde uit een katholiek nest en daar een kind mee kreeg. De duivel en het kussen werden erbij gehaald, mijn moeder vreesde uitstoting uit de familie en jammerde dat het kind voor galg en rad zou opgroeien. Pas toen dit alles uitbleef, zakte de angst weg.

Nu ik jaren later als gast van een katholieke organisatie het zwijgen kreeg opgelegd, leek het anti-katholicisme uit mijn jeugd alsnog zijn gelijk te willen halen. Het vermengde zich met mijn feminisme en verleidde me zo opnieuw tot vijandschap: iedere religie die de vrijheid van de vrouw bedreigt is een gevaar en moet bestreden worden. Als veranderen geen reële optie is, rest slechts de strijd. Eenmaal thuis vergat ik het voorval en zakte de vijandschap. Tot ik het boek Het vervallen huis van de islam van Ruud Koopmans las. Met talloze empirische studies toont hij aan dat de positie van vrouwen, homoseksuelen en religieuze minderheden nergens zo slecht is als in islamitische landen. Ook de democratie, de welvaart en vreedzaamheid staan er op een laag pitje. Dat zie je aan de migranten uit islamitische landen: zij doen het slechter dan andere migranten en dat heeft volgens Koopmans alles te maken met fundamentalistische geloofsopvattingen, die veel vaker voorkomen bij moslims dan bij katholieken, protestanten of andere gelovigen. Koopmans wil af van het fundamentalisme en het geweld dat eruit voortkomt. Liever vandaag dan morgen. Hij roept daarom gematigde moslims op massaal in verzet te komen tegen de wereldwijde intolerantie en het geweld in naam van hun geloof.

Stel dat ik nu gematigd protestant was en mijn omgeving zou nog even fundamentalistisch zijn als vijftig jaar geleden, dan zou dit massaal in verzet komen het laatste zijn wat ik zou doen. Waarom? Omdat ik me niet als vijand laat aanspreken, omdat ik de andersgelovige niet tot vijand wil maken door haar of zijn geloof openlijk aan te vallen en omdat ik ervan overtuigd ben dat orthodoxie beter van binnenuit, in verbondenheid, kan worden bestreden dan van buitenaf. Heb ik daar cijfers voor? Nee. Helaas laten de gevolgen van vriend- en vijandschap zich niet in cijfers vatten. Maar niemand zal ontkennen dat vijandschap grote politieke gevolgen heeft. En ik weet zeker: niets zo ondermijnend voor het fundamentalisme als het langdurig en volhardend weigeren van vijandschap.

Marli Huijer is hoogleraar filosofie aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam.

Placeholder-female-2x

Marli Huijer

Profiel-pagina