Voor wie is de uitvaart?
Op 23 april 2026 organiseerde Sprekers bij uitvaarten het symposium ‘Voor wie is de uitvaart?’. Zoals in het leven, groeit ook de wens om steeds meer de regie over onze eigen dood te nemen – ook over onze eigen uitvaart. Oud-predikant, ceremoniespreker en docent Aart Mak gaf een lezing over het thema. Lees ‘m hier.
“Deze week hoorde ik het verhaal dat de bollenboeren bij Lisse en Hillegom steeds vaker mensen moeten wegschreeuwen van tussen de rijen tulpenbollen. Het gebeurt nog weer vaker dan vorig jaar. Want in plaats van de kleurige bloeiende bloemen vanaf de weg te fotograferen, gaan ze er middenin staan, om – let op – een selfie te maken. Een selfie te midden van de kleurenpracht. Dit is een teken des tijds, dames en heren. Daarom hebben wij het vanmiddag over de sterker wordende neiging van mensen-op-het-punt-van-sterven om hun selfie zelfs op de uitvaart nog te willen maken.
Ja, voor wie is de uitvaart? Goede vraag. Wat meer juridisch gesteld: wie heeft het bij een uitvaart voor het zeggen? De dode? De executeur? De nabestaanden? Maar ook filosofisch gesteld: wie moet er baat hebben bij een goede, betekenisvolle uitvaart? De dode zaliger nagedachtenis? Of de familie die verder moet met dit bestaan op aarde? En wat dacht u van een uitvaartbijeenkomst nadat een kindje is gestorven? Voor wie is dan de uitvaart? Of wanneer ergens een eenzame ziel dood wordt aangetroffen en zij of hij met een gedicht van Joris van Casteren in alle eenzaamheid ter aarde wordt besteld, voor wie is dan de uitvaart?”
Sprekers bij uitvaarten
Als verdriet het moeilijk maakt om iets te zeggen, helpen onze sprekers bij uitvaarten woorden te vinden voor bij het afscheid.
“Aan mij de taak om het landschap rond de vraag ‘Voor wie is de uitvaart?’ wat in kaart te brengen. Dat is een even actueel als heikel avontuur. Want in de uitvaartwereld is het nooit stil. Er beweegt altijd wel iets, ergens. En nogal eens is de vraag: wordt dit een blijvertje of zal het als een zuchtje wind voorbijgaan? Nu zou het dus een nieuwe trend zijn dat steeds meer mensen bepalen hoe hun uitvaart eruit moet zien. De dode houdt de regie. En dat betekent: alles tevoren zelf vastleggen, de plaats van het graf, de mensen die mogen komen en de uitverkorenen die mogen spreken. En soms ook oordelen over wát ze zullen zeggen. Ze worden ontboden bij het ziekbed om voor te dragen wat ze later zullen gaan zeggen. En natuurlijk vastleggen waar en hoe lang en welke muziek en wat er vooral niet moet gebeuren. Het is het verschijnsel dat, zoals Bert Keizer het in een van zijn columns zo aardig formuleert, de dode zo lang mogelijk aan het woord blijft.
Ik zeg dit met bewust met enige overdrijving. Ik verwacht namelijk niet dat het zo extreem zal worden. Daarvoor is de dood toch te weerbarstig, te pijnlijk en onthutsend. Hier zal de wal vrij snel het schip gaan keren, de nabestaanden zullen niet alleen maar slaafs aan de gestorvene de laatste eer willen bewijzen. Iedereen weet dat controle is gebaseerd op angst. Maar juist angst hoort bij de rituelen rond de dood tot rust te komen. Elke keer dat een ouder iemand dan jij doodgaat, word je zelf wat meer volwassen. En dus zal je steeds minder willen napraten en steeds meer zelf willen zeggen, ook over je overleden vader. Angst voor de waarheid of voor het eigenzinnige geluid, hoort dan geen plek te hebben. Dat hele ritueel rond de dood is te oud en te groot om gekaapt te worden door de dode die als regisseur aan het woord blijft. Er zullen altijd uitzonderingen blijven. Maar de grote stroom mensen doet het zoals we het altijd deden, dus met elkaar, dat zit in onze spreekwoordelijke botten.”

“Voor de helderheid: de al 70 jaar durende trend dat mensen over hun sterven en dood zelf het nodige te zeggen hebben, is alleen maar toe te juichen. Ik licht dit even toe. Wij zijn in dit lage land sinds de jaren ’50 van de vorige eeuw van bedeesde volgelingen van een geloof of levensbeschouwing, veranderd in mondige volwassenen die het zelf graag willen weten. Of juist niet meer willen weten van al die rituelen en verhalen. Deze ontkerkelijking, deze onttraditionalisering geldt ook trouwens voor het socialisme, het humanisme en meer van die grote gedachtenstelsels over hoe het leven in elkaar zit of zou moeten zitten. De meesten van ons en bij sommigen ook al hun ouders en grootouders zijn onder het tapijt tevoorschijn gekropen en hebben het stof van zich afgeschud, om zonder enig hemels baldakijn hun levensweg te vervolgen.
Dat is zoals het is, er valt veel goeds over te zeggen, naast dat er soms enig heimwee op kan duiken naar een verloren wereld en een schuchter besef of we met het badwater ook niet ergens een kind hebben weggegooid. Maar dat is een ingewikkelde en gevaarlijke discussie, want wat bedoel je met ‘kind’? Is dat het kinderlijke niet-weten, een wereld die overzichtelijk was, een leven waarin je deed wat er van je verwacht werd? Intussen plukken we de vruchten van de mondigheid, van het individualisme ook en van het idee dat je min of meer baas bent over je eigen lot. Ook dat heeft schaduwzijden, maar het is net als met leren lezen en schrijven: als je het eenmaal kunt, wil je nooit meer terug naar onmondigheid en afhankelijkheid.”
' Het is het verschijnsel dat, zoals Bert Keizer het in een van zijn columns zo aardig formuleert, de dode zo lang mogelijk aan het woord blijft. '
“Goed, de uitvaart. En vooral: voor wie is de uitvaart? Soms lijken wij, die in die 70 jaar ook de doodscultuur zelf zijn gaan bepalen, op onze mede-Europeanen in het oosten. Toen De Sovjet Unie in 1989 implodeerde en o.a. Roemenen, Hongaren en Polen hun lot in eigen handen namen, omhelsden zij de vrijheid. Alles kon en mocht, de ongebreidelde vrijheid. En nu, bijna veertig jaar later, zijn hun democratieën nog niet altijd goed uitgebalanceerd. Dat vrijheid gepaard moet gaan met respect voor andersdenkenden, dat minderheden ook deel van leven moeten hebben en dat macht altijd tegenmacht verdient, is nog lang geen gemeengoed. Vrijheid heeft tijd nodig. En is ook iets wat je samen moet kunnen beleven. Vrijheid is niet alleen de ik, de mens die overal een selfie wil nemen.
Terug naar de uitvaart. Nu we onder die ideologische deken waarin alles rond de dood in teksten en rituelen vastlag, vandaan zijn gekropen, is de vrijheid van het zelf mogen weten en bepalen bij de uitvaart, vergelijkbaar. Ook hier is vrijheid iets dat je samen moet beleven en niet het geven van ruim baan aan enkel het individu. Het gaat bij een uitvaart niet alleen om de wensen van de overledene. Ook de inbreng van de overlevenden, de partner, de kinderen, de familie, de vrienden, zijn minstens zo van belang. Dat geldt ook op een subtieler niveau. Een uitvaartbijeenkomst waar allerlei beelden van de overledene worden getoond, kan voorbijgaan aan het innerlijke beeld. En dat is het beeld dat de achterblijvers van de dode hebben en waar ze alleen en met elkaar mee verder zullen leven. Dat is veel meer gelaagd dan welke foto of film kan vastleggen.”
' Er dient een soort evenwicht te ontstaan tussen de gedachten ván hem en óver hem, tussen wat hem troostte en wat nabestaanden helpt om zijn gemis te dragen. '
“De vrijheid na de kerkelijke en levensbeschouwelijke voogdij glijdt met andere woorden nogal eens af naar de vrijheid van wat technisch allemaal kan. Of wat commercieel mogelijk is. En zo zullen sommigen onder ons er veel geld voor over hebben om groots en meeslepend te leven én te sterven, onder eigen regie. Maar een uitvaart is ook een ritueel. En dat is een groots moment waarop je met elkaar getuige bent van de dood van de één en van het overleven van de anderen. Het is de kans om met eerbied terug te blikken op iemands leven, maar tegelijk ook opnieuw te zeggen wat dit ene leven ertoe deed, maar in wezen ons aller leven ertoe doet.
Natuurlijk, de dode mag het allemaal ooit een keer gedicteerd of eigenhandig opgeschreven hebben, of hij in een doek neergevlijd mag worden in een graf op een natuurbegraafplaats of dat zijn stoffelijk overschot met 1100 graden Celsius moet verteren tot as. En welke muziek hij prachtig vond. En welk gedicht hem altijd vergezelde. En ook nog waarop hij postuum het liefst zou trakteren bij de condoleance na zijn verscheiden. Maar er dient een soort evenwicht te ontstaan tussen de gedachten ván hem en óver hem, tussen wat hem troostte en wat ons als kinderen, kleinkinderen en vrienden helpt om zijn gemis te dragen. Dat is een ritueel, een plechtige bijeenkomst waarin we een soort gelaagdheid aanbrengen in wat we willen uitdrukken over deze dode en over dood en leven in het algemeen.
Maar dan de vraag wie dat gaat aankaarten en regelen. Want nu we het hebben over de vraag voor wie de uitvaart is, is er dan ook iemand die in staat is die vraag van een antwoord te voorzien? Dat is nog niet zo gemakkelijk. Want de gemiddelde uitvaartleider is een deskundige die pas antwoord geeft als de familie haar of hem een vraag stelt. Dat is overdreven, vergeef mij, maar wie betaalt bepaalt – en dus mag de familie of de vriendenkring het zeggen, al dan niet met een document waarop de overledene haar of zijn wensen heeft prijsgegeven. Dan let je als uitvaartmens erop of aan alles is gedacht, of de logistiek klopt, of ook een kleinkind misschien nog iets mag doen, of jij zelf misschien het welkom doet, kortom: het gaat als gewenst door de opdrachtgever met hier en daar een correctie of suggestie van de uitvaartleider. Prima allemaal, de meeste uitvaarten gaan zo. Dus de uitvaartleider bepaalt wel mee, maar op een bescheiden wijze; hij of zij is dienstbaar aan wat de familie en daarachter de overledene zelf heeft aangegeven.”
Humanistisch Verbond en de dood
Bij een goed leven hoort een goede dood, maar wat dat precies betekent is voor iedereen anders. Toch zijn er zaken die je laatste levensfase zo betekenisvol mogelijk kunnen maken.
“Maar nu weer: voor wie is de uitvaart? Ik wil het niet ingewikkelder maken dan het is, maar toch, het houdt mij al jaren bezig. Als het voor de overledene is, hoeven we alleen maar te doen wat de dode heeft gevraagd, al dan niet een beetje aangevuld door de wensen van de achterblijvers. Als de uitvaart voor de nabestaanden is, dan moeten die de kans krijgen zich uit te drukken en al dan niet in de geest van de overledene er iets moois van te maken.
Maar mag het misschien twee onsjes meer zijn? Ik bedoel: is er ook iemand in de aula of huiskamer die een beetje weet wat troost biedt? En daar goede vragen voor in huis heeft? Iemand die de familie afhelpt van het idee dat de uitvaart een mooi plaatje moet zijn en al helemaal niet een grote lofzang op de overledene? Twee onsjes meer graag. Wil een uitvaart waarachtig zijn, een mengeling van dankbaarheid en teleurstelling, van warmte en onbeantwoorde vragen, van liefde en onbegrip, dan is er meer nodig. En dat er ook humor bij past. Of een intrigerend verhaal van Toon Tellegen. De eekhoorn die wat mompelt over de treurigheid van het afscheid nemen in het leven, altijd maar weer. U hoort het, er is wel wat nodig om de aanwezigen na een uitvaartplechtigheid echt voldaan en opgelucht te laten zijn. Niet alleen is alles gezegd maar er is meer gebeurd, we zijn ontroerd, het ging ook over ons, we hebben soms gelachen en we hebben vooral ook in de spiegel gekeken.”

“Ja, dit is hoog gegrepen. Ik weet het. Zo gaat het lang niet altijd. Maar dit is wel wat bij die nieuwe vrijheid hoort, u weet wel de vrijheid van mensen die net onder het tapijt tevoorschijn gekropen zijn. Dit is waar ritueelbegeleiders, rouwdeskundigen, geestelijk begeleiders en in toenemende mate humanistische sprekers voor worden opgeleid. Ik weet dat er uitvaartleiders rondlopen die dit erbij doen, die extra geestelijke of rituele dimensie. En in mijn waarneming zitten daar hele goede bij. Maar de meesten uit deze beroepsgroep komen daar niet aan toe, uit zelfkennis, omdat ze te weinig tijd beschikbaar hebben, of omdat de organisatie van een uitvaart toch net wat anders is dan de dwaaltocht naar wat de aanwezigen echt denken, voelen en willen uitdrukken.
Ik heb mijn halve leven geprobeerd om mijn vroegere collega’s, dominees en priesters, uit hun kerkelijke hok tevoorschijn te roepen en hun diensten aan te bieden aan Nederlanders die met de dood te maken hebben. Maar gaandeweg realiseerde ik mij dat als je eenmaal de kerk hebt verlaten, je niet zomaar een geestelijke bij de uitvaart van je vader haalt. En sommigen dominees en priesters kunnen het ook gewoon niet, gewoon praten en het denkschema van een eeuwenoude traditie achter zich laten. Maar toen kwamen de ritueelbegeleiders op, met hun frisse, doordachte en seculiere aanpak. En altijd waren er al de humanistische sprekers bij uitvaarten. En van deze mensen zullen we het in de toekomst moeten hebben, wil een uitvaart meer zijn dan een praatje-plaatje. Dit klinkt als reclame – dat is het ook wel een beetje – maar ik zou het zoveel uitvaartbijeenkomsten gunnen dat daar een zowel een goede organisator als een ceremoniemeester bij betrokken is. Die goede organisatoren zijn er bij bosjes in de uitvaartwereld. Zij regelen op een vriendelijke wijze alles wat nodig is om geregeld te worden, met respect, voorzichtig en uitnodigend: u mag het zeggen, we gaan er samen met u iets moois van maken. En alles wat de overledene heeft gewild komt eerst – maar misschien moeten we daar wat bij aanvullen. U mag het zeggen. En zo gaat dat meestal wel goed.”

“Maar dan. Dan moet er eigenlijk nog wat gebeuren. Dat is een gesprek met een ceremoniemeester of geestelijke of ritueel begeleider die andere vragen stelt. Vragen naar de levensloop van de overledene – en dan niet zozeer de feiten maar naar de betekenis. En naar de herinneringen van de kinderen, de mooie en pijnlijke. En hoe er thuis werd omgegaan met de tegenslagen van het leven. En wat vader of moeder dan altijd zei of deed. Zulke begeleiders zijn op een andere manier met de familie op weg naar het ritueel van de uitvaart. En die uitvaart is dan het uur waarin veel ter sprake mag komen aan gevoelens die met elkaar kunnen dansen en botsen, waar woorden of symbolen worden gevonden om waar iemand voor geleefd heeft, de waarden, een diepe overtuiging, vorm te geven. En dan is het ineens niet meer de vraag wat iemand voor zijn sterven verordineerd heeft dat zou gebeuren, het heeft een ander kader gekregen. Het is van ons allemaal, dit afscheid, hij gaat weg en zijn woorden mogen klinken, wij gaan verder en onze woorden mogen evengoed klinken. Dit is in feite de ceremonie die alles met troost te maken heeft. Troost is proberen te zeggen wat je echt voelt – en gedragen worden door de anderen die het soms net weer even anders voelen. Of door de mooiste muziek. Maar ook uitdrukken wat iemand voor jou betekend heeft en hoe jij dat in jouw leven gaat vormgeven. De waarheid over een gestorven medemens kan voor een deel pijnlijk stemmen. En dat hoeft, met toestemming van de familie niet verzwegen te worden. De uitvaartbijeenkomst is bedoeld om op te stijgen naar het niveau van waarachtigheid, verbondenheid, ontroering, eerlijkheid. En overgave, aanvaarden dat het is zoals het is.
Nog een keer. Voor wie is de uitvaart? Antwoord: grotendeels voor de overlevenden, de nabestaanden, de mensen die hierna weer verder gaan met hun leven. De uitvaart is voor mensen die na een slopend ziekbed van moeder afscheid moesten nemen van haar en, met alle verdriet en rouw die nog komen, later wél tegen zichzelf en elkaar kunnen zeggen dat het afscheid zo echt was, zo mooi. Dat helpt. En ook daarom is de uitvaart voor de nabestaanden.
En dat mensen in een voorregelingsgesprek een aantal zaken willen vastleggen, is natuurlijk prima, passend bij de tijd en in zekere zin rustgevend voor de aanstaande achterblijvers. Maar hier kan de uitvaartleider die het gesprek voert een mooie rol in spelen. Indien iemand alles wil dichttimmeren, dan kun je quasi verbaasd vragen: weet u dat zeker? Wat is ertegen als uw nabestaanden hun gevoelens, met woorden en muziek, ook uitdrukken? Met andere woorden grenzen aangeven, vriendelijk maar duidelijk. Lukt niet altijd, maar ook verrassend vaak wel. Mensen die in de regel-modus zitten, zijn je vaak dankbaar als je hen bevrijdt uit het zelfgeschapen benauwde kringetje. Het is niet de selfie die fout is. Het is ten koste waarvan de selfie gemaakt moet worden, daar gaat het om.
Tenslotte nog iets dat mij het meest na aan het hart ligt.
Voor mij is het aanbrengen van een existentiële laag in een uitvaart iets wat ik iedereen aanraad. Niet om antwoorden te geven die alles oplossen, maar om hardop uit te spreken dat wij mensen nu eenmaal ook te leven hebben met zaken die we niet weten, de angst voor het onbekende, het verlangen dat niet uitkomt, het verdriet en of dat ooit een keer ophoudt, de hoop die weer eens als een zeepbel uiteenspat, de teleurstellingen die zich opstapelen. En daar staat ook veel tegenover. Maar het leven is geen harmonie alleen en gevoelens spreken elkaar soms tegen. En alles is allemaal waar. Het bestaat. Wij bestaan. Ik besta. Ik heb met eigen vallen en opstaan ontdekt hoe belangrijk het is dat er bij een uitvaartbijeenkomst iemand is die zulke gevoelens en stemmingen kan verwoorden.
Als spreker tijdens uitvaarten dacht ik eerst dat mensen zelf wel wisten hoe het er bij hen van binnen uitzag. Maar dat is doorgaans niet zo. En als iemand dat wel onder woorden brengt, helpt dat. Zeker op zo’n groots moment. Want als je je vader of moeder begraaft, of je kind, of je geliefde, dan is dat een groots moment. Als er dan iemand is die kan zeggen wat er allemaal in jouw innerlijk ronddwaalt, terneer zit, alles betwijfelt en toch ook weer hoopt dat er ergens wél iets vast en zeker is, dan is dat op zichzelf al zo troostrijk. Iemand gaat naast je staan en schetst een beetje wat er in jou omgaat. Je voelt je gezien, herkend, erkend.
Misschien is dat wel wat een uitvaart kan zijn. Geen perfect geregisseerde laatste groet. Geen zeer particuliere bijeenkomst onder regie van degene die niets meer zegt, hoort of voelt. Maar een plek waar waarheid, goedheid en schoonheid even samen komen. Een plek waar de dode wordt herdacht, maar waar vooral de levenden iets krijgen aangereikt om verder te kunnen met dat wat wij leven noemen.”