Twee generaties sprekers bij uitvaarten
Ze groeiden op in Limburg in hardwerkende gezinnen waar niet veel werd gepraat over gevoelens, en vonden ieder op hun eigen manier een plek in het begeleiden van afscheid. Spreker Wil Insupp, sinds drie jaar actief bij het Humanistisch Verbond, in gesprek met oudgediende Frits van de Kolk.
Frits heeft er al een heel leven opzitten als spreker bij uitvaarten. Hij werkte vanaf 1981 als humanistisch geestelijk verzorger bij Defensie. Daar hoorde het begeleiden van uitvaarten vanzelfsprekend bij. ‘Dat was onderdeel van mijn werk,’ zegt hij nuchter. ‘Maar bij Defensie ging dat vaak met veel ceremonieel. Militaire eer, grote diensten, indrukwekkende rituelen. Dat maakte indruk op mensen.’ Toch benadrukt hij dat het hem uiteindelijk altijd ging om de mens achter het uniform. ‘Je probeert recht te doen aan iemand. Dat mensen voelen: dit was hij.’
Wil kwam veel later bij het spreken terecht. Een oud-collega uit de geestelijke gezondheidszorg vroeg haar of het niets voor haar zou zijn. ‘Ik dacht meteen: ja, eigenlijk wel. Ik ben gewend om met emoties om te gaan, om te luisteren en verhalen te ordenen.’ Ze werkte jarenlang in de GGZ en ziet rouw veel breder dan alleen de dood. ‘Mensen rouwen om verlies van gezondheid, relaties, werk, veiligheid. De dood is de ultieme vorm van verlies.’
Maak kennis met onze Sprekers bij uitvaarten
Als verdriet het moeilijk maakt om iets te zeggen, helpen wij je de woorden te vinden voor bij het afscheid. In jouw toon, met jouw herinneringen.
Hoewel hun loopbanen heel verschillend zijn, herkennen ze veel in elkaar. Allebei groeiden ze op in de oude mijnstreek van Limburg. Frits’ vader werkte als schiethouwer in de mijnen, zwaar en gevaarlijk werk. ‘Mijn vader kwam soms zó moe thuis dat hij bijna met zijn hoofd in zijn eten viel.’ Over gevoelens werd nauwelijks gesproken. ‘Daar was geen tijd voor. Mijn moeder loste alles op.’
Wil herkent dat meteen. ‘Mijn ouders praatten ook nergens over. Dat was de generatie van toen. Schouders eronder en doorgaan.’ Toch was de dood vroeger zichtbaarder aanwezig, vindt ze. ‘De dood hoorde gewoon bij het leven. Mensen werden thuis opgebaard. In Oostenrijk, waar mijn vader vandaan kwam, liepen we als kinderen langs de kapel waar overledenen lagen opgebaard. Dat was heel normaal.’
Frits knikt. ‘In kwam vroeger ook vaak bij mensen thuis waar iemand nog in de woonkamer lag opgebaard. Dat hoorde erbij.’
Volgens beiden is de dood tegenwoordig tegelijk zichtbaarder én verder weggeraakt. Dan, zegt Wil: ‘Misschien praten we nu meer, maar we vinden het nog steeds moeilijk om echt bij verdriet stil te staan. We denken dat alles maakbaar is en dat verdriet opgelost moet worden.’
' Een brief schrijven helpt om woorden te geven aan je verdriet. '
Ze komen te praten over het familiegesprek, voor beiden het hart van hun werk. ‘Daar gebeurt het,’ zegt Wil. ‘Je komt bij mensen thuis en hoort verhalen die soms nog nooit hardop verteld zijn.’
Frits: ‘En soms moet je echt zoeken. Mensen zeggen dan alleen: hij was een goede man. Maar wie was hij dan? Wat maakte hem bijzonder?’
Juist in die zoektocht ontstaat volgens hen vaak iets waardevols. Niet alleen voor de spreker, maar ook voor de familie zelf. ‘Mensen gaan door het vertellen ook anders kijken naar hun eigen herinneringen,’ zegt Wil. ‘Soms vallen er tijdens zo’n gesprek stiltes waarin ineens verdriet komt dat jarenlang niet benoemd werd.’
Wat ze allebei belangrijk vinden, is dat een uitvaart eerlijk blijft. Niet mooier maken dan het was, maar ook niet hard of veroordelend. ‘Je bent geen rechter,’ zegt Frits. ‘Je probeert een mens neer te zetten zoals hij was.’
Wil vult aan: ‘Soms willen families moeilijke dingen liever niet noemen. Kinderen waarmee geen contact meer was, een slecht huwelijk, ruzies. Dan probeer ik toch voorzichtig iets aan te raken. Want ook dat hoort bij een leven.’
Rituelen spelen daarin een belangrijke rol. Waar Frits bij Defensie grote ceremonies meemaakte, ziet Wil juist de kracht van kleine gebaren. ‘Een brief schrijven, een kaars aansteken, een lied kiezen. Dat zijn allemaal manieren om gevoelens zichtbaar te maken.’ Vanuit haar werk in de GGZ werkte ze ook met rituelen. Bijvoorbeeld cliënten die een brief schreven aan een mishandelende ouder, soms om te versturen, soms alleen voor zichzelf. ‘Dat helpt om woorden te geven aan verdriet en boosheid.’
Voor Frits hoeven rituelen niet groot te zijn om betekenis te hebben. ‘Het gaat erom dat het klopt. Dat mensen voelen: dit past bij hem of haar.’
Een van de uitvaarten die hem altijd is bijgebleven, vond plaats in Kerkrade. Hij vertelt over een jonge man die zijn moeder verloor. ‘Hij kwam aanrijden in zo’n klein 45 km-autootje, helemaal vol met bierblikjes. We gingen een flatgebouw in, alles rommelig en armoedig. Zijn moeder verzamelde haar hele leven knuffelbeertjes, vertelde hij. Verder zei hij eigenlijk niet zoveel over zijn moeder. Ik zei: wat ga je met die beren doen? Dat wist hij niet. Ik zei: waarom deel je ze niet uit op de uitvaart? Dat deed hij. En ineens zag je niet meer alleen die armoede of dat moeilijke leven. Je zag ook liefde, zachtheid en herinneringen.’
Juist dat moment vat voor hem samen wat een goed afscheid is. ‘Mensen moeten het gevoel hebben dat iemand recht is gedaan.’
Wil herkent dat meteen. ‘Het gaat erom dat mensen zichzelf en hun dierbare herkennen in het verhaal. Dat het niet een standaardtekst wordt.’
Frits glimlacht. ‘En daarom blijft dit werk belangrijk. Iedereen heeft recht op een goed afscheid.’
' 'Ineens zag je niet meer alleen die armoede of dat moeilijke leven. Je zag ook liefde, zachtheid en herinneringen.’ '
Beiden zien ook veranderingen in de uitvaartwereld. Toen Frits begon, waren er veel meer sprekers van het Humanistisch Verbond nodig. ‘We deden soms meer dan driehonderd uitvaarten per jaar.’ Inmiddels zijn dat er veel minder. Uitvaartondernemers schrijven tegenwoordig vaker zelf teksten.
Toch denken ze dat de behoefte aan echte aandacht niet verdwenen is. ‘Mensen willen nog steeds hun verhaal vertellen,’ zegt Wil. ‘Maar ze weten vaak niet hoe.’
Voor Frits ligt daar de kern van humanistisch spreken. Niet vertrekken vanuit religieuze regels of vaste antwoorden, maar vanuit het leven dat iemand heeft geleid. Voor hem gaat humanisme vooral over menselijke vrijheid, zelf nadenken en recht doen aan mensen zoals ze zijn.
Wil noemt zichzelf minder uitgesproken humanist, maar herkent zich wel in die houding. ‘Ik ben iemand die nergens lid van wil zijn, ik wil niet in een hokje zitten. Maar tijdens de cursus Spreken bij Uitvaarten hoorde ik de uitgangspunten van het humanisme en toen dacht ik: o maar zo leef ik.
In de manier waarop ze over rouw en uitvaarten spreekt, klinkt humanisme door. Voor haar heeft ieder mens recht op aandacht en een waardig afscheid. Een uitvaart moet eerlijk en persoonlijk zijn, zonder dat moeilijke kanten van een leven worden weggepoetst. Mensen geven volgens haar zelf betekenis aan verlies, herinneringen en afscheid. Juist daarin herkent ze de waarden van het humanisme: menselijke waardigheid, autonomie en zingeving zonder vaste religieuze kaders.