toespraak-over-geluk-beeld-II_1200x800px

Klik op de oranje play-knop hierboven (met wit pijltje) om de nieuwjaarstoespraak te beluisteren.

Waar ik echt blij van word, is zwemmen in een meer of in een plas, met meerkoeten, futen, eenden, rietkragen en vissen. In de regen, met mist of bij helder weer, dat maakt eigenlijk niet uit. En als er dan een ijsvogel over het water scheert, is de vreugde compleet.

Ik word blij als ik iemand iets vraag en de ogen geven het antwoord eerder dan de woorden. Of als ik een kopje koffie drink in een café, naar buiten kijk en me verwonder over de veelzijdigheid van onze soort. Als ik op vakantie ben met een goede vriend en eindeloos slenter door de stad, waar onze voetstappen ons maar heen brengen.

Ik word blij van vers beddengoed, van kinderen die woorden verhaspelen, van een roodborstje in de tuin en van de eerste kastanjes van het jaar.

Toch zou ik niet zeggen dat ik van dat alles gelukkig word. Het zijn meer momenten waarop ik besef hoe gelukkig ik ben. Het ware geluk ligt als een diepere laag onder alle blije ogenblikken.

Want soms word ik helemaal niet blij van zwemmen of een kopje koffie. Vooral niet als ik al vier koffie op heb, of eropuit ben om me beter te gaan voelen. Als ik het water in ga of een café binnenstap omdat ik blij wil zijn – dat werkt niet. Geluk komt niet op afroep, en als ik niet blij ben, heb ik geen contact met mijn diepere gelukslaag. Dan ben ik niet in staat om mijn zegeningen te tellen, of hooguit een beetje voor de vorm, maar zonder het te doorvoelen.

Dat maakt geluk heel ongrijpbaar. We willen het zo graag bereiken, maar als streven geen zin heeft, wat moeten we dan?

 

 

Het is een vraag van alle tijden. Spinoza, de grootste wijsgeer van ons land, maakte er zelfs zijn hoofdthema van: het bestendige geluk, een geluk dat je altijd zou moeten kunnen voelen.

In zijn leven, in de 17de eeuw, heeft hij anders heel wat verlies gekend. Toen hij zes was, verloor hij zijn moeder. In de jaren daarna overleden een broer, een zus, zijn vader en zijn stiefmoeder. Bovendien werd hij, vanwege zijn omstreden ideeën, verbannen uit de joodse gemeenschap, waarmee hij meteen zijn handel en dus zijn inkomen kwijt was. En in Amsterdam, waar hijzelf en al zijn vrienden woonden, was hij niet langer welkom.

Daar sta je dan, met lege handen. En wat doe je dan?

Spinoza begon te schrijven. Over geluk dus. Want hij vermoedde dat er een geluk moest bestaan dat ver voorbijgaat aan alledaagse stemmingen. Een geluk dat dieper is dan het leed dat je overkomt. Een geluk dat er altijd zou kunnen zijn.

 

 

Dit verhaal intrigeerde me meteen toen ik, achter in de twintig, filosofie ging studeren en kennismaakte met Spinoza’s werk. Ik begreep er toen nog weinig van, maar besefte wel dat ik met zijn hoofdwerk Ethica een boek in handen had dat er toe doet. Pas jaren later, met wat meer levenservaring op zak, begon het me enigszins te dagen wat hij bedoeld kan hebben. En toen ontstond langzamerhand het plan om zijn levensverhaal in een roman te gieten. In mijn boek, met de titel Niemand is zo wakker, volg ik hem tijdens zijn laatste levensjaar in Den Haag, waarbij ik hem laat terugblikken op zijn leven. Ik heb geprobeerd om na te voelen wat hij gevoeld kan hebben toen al die familieleden omkwamen, toen hij werd verbannen, en toen hij weer een bestaan opbouwde. Want dat deed hij. Na zijn vertrek uit Amsterdam ging hij wonen in Rijnsburg, waar hij lenzen sleep voor de kost en aan zijn filosofische geschriften werkte.

 

 

Het was niet ongevaarlijk wat hij deed. Hij dacht bijvoorbeeld radicaal anders over God. Want hij schreef dan wel over het geluk van de mens, maar niet zonder God erbij te betrekken. Hij schiep een wereldbeeld op grond van die drie elementen: God, de mens en zijn geluk. Maar waar hij ‘God’ schreef, schreef hij steevast ‘of de natuur’ erachteraan. God of de natuur, die stelde hij aan elkaar gelijk. God is bij Spinoza dus geen zorgende of sturende God, en zelfs geen scheppende God, maar een term voor ‘alles wat er is’. Geen God die jou gelukkig maakt maar een aanwezigheid die verstoken is van alle invulling die mensen eraan kunnen geven. En dat was een opvallend vrijzinnige kijk voor die tijd.

Met dergelijke ideeën kon je echter in het Rasphuis belanden: een gevangenis waar mannen werden afgebeuld en dit soms met de dood moesten bekopen. Maar Spinoza was een voorzichtig man en publiceerde bijna niets tijdens zijn leven. Maar hij bleef uitdrukking geven aan dat wat hij te zeggen had. Aan een vriend schreef hij eens: ‘Zij die dat willen, mogen sterven voor wat hun goed lijkt, als ik maar mag leven voor de waarheid.’

 

 

Het bestendige geluk, daar was het hem om te doen. Een geluk waarbij je je niet zou laten meesleuren door dat wat je raakt. Waarbij je kunt aanvaarden wat er op je pad komt, zonder daarmee in gevecht te gaan. Deze vorm van geluk zou alles wat je pijn of verdriet doet, overstijgen. Dat betekent niet dat je geen pijn of verdriet kunt hebben, of niets meer zou kunnen voelen. Integendeel, het ontkennen of het niet willen voelen van wat je voelt, kan niet tot geluk leiden. Wat er leeft, wil júíst gevoeld worden, en alleen maar dat.

Spinoza was de eerste om toe te geven dat dit hem slechts zelden vergund was. Als het makkelijk was om in de overgave te leven, zo besloot hij zijn Ethica, dan zou iedereen het wel doen. Vrij vertaald, in de woorden van nu.

 

 

Maar wat maakt nu dat het geluk soms zo ver weg lijkt, ook als alle omstandigheden meewerken? Als je te eten hebt, een dak boven je hoofd en liefhebbende mensen om je heen? Voor verreweg de meeste mensen in ons land geldt dat je in vrijwel elk ogenblik van je leven kunt zeggen: op dit moment is er niets aan de hand. We zouden op duizenden momenten van de dag kunnen overlopen van geluk, met alles wat we hebben. Soms voelt dat echter niet zo. En dat terwijl er mensen zijn die bijna niets hebben en toch in de kleinste dingen nog geluk kunnen vinden. Juist in de kleinste dingen.

 

 

Ongeveer eens per week voer ik filosofische gesprekken met gedetineerden in het huis van bewaring op Schiphol, en zelfs daar, tussen de betonnen muren met de zware deuren en een veel te klein binnenplaatsje, blijkt geluk mogelijk te zijn.

Die gesprekken vinden plaats onder de hoede van de humanist in de gevangenis. We lezen een tekst van Socrates over de vraag wat het betekent om een goed mens te zijn. Een tekst van Martha Nussbaum over woede jegens jezelf. Van Friedrich Nietzsche over het lot. Van Hannah Arendt over vergeving.

De meeste gevangenen zouden er heel wat voor over hebben om hun kinderen even te kunnen vasthouden. Of om gewoon op straat te lopen. En nu dat niet kan, proberen ze met de dag te leven en er het beste van te maken. Tijdens de gesprekken nemen ze de moeite om echt naar elkaar te luisteren, ze stellen zich open, en na afloop nemen ze een stuk koek mee voor hun celgenoot. Daarin vinden ze het kleine geluk. Ze zitten daar om een reden, daar zijn ze zich ten volle van bewust, maar de  mannen die wij spreken, zijn vaak vol goede wil om niet meer in de fout te gaan, om zich niet meer te laten meeslepen door allerlei verleidingen.

En ook daar lezen we een tekst over – van Spinoza, over de slavernij van de mens, ofwel het afhankelijk zijn van je gevoelens. Als de geest zich daarvan los weet te maken via de rede, kan woede zomaar omslaan in liefde. Spinoza schrijft: ‘Wie zo veel mogelijk geleid door de rede leeft, probeert de haat, woede, minachting enzovoort van een ander jegens hem juist met liefde oftewel grootmoedigheid te compenseren.’

Het lijkt vaak een onmogelijke opgave om iemand die woedend tegenover je staat, kalm in de ogen te kijken. Om op dat moment te zien waardoor die ander bevangen is. De woede bij de ander te laten, en hem vervolgens met liefde tegemoet te treden. Maar dat is wel de hoek waarin het ware geluk schuilt: blijven voelen wat je voelt, maar je niet laten leiden door schrik, haat of angst. Je laten leiden door de liefde die óók in je huist.

En daar is moed voor nodig. Hoeveel makkelijker is het niet om terug te slaan of de ander de rug toe te keren. Om het beter te weten dan de ander, of om je het slachtoffer te voelen van wat je overkomt. Hoeveel makkelijker is het niet om te klagen in plaats van te zeggen: ik ben gelukkig.

 

 

Niet wat je meemaakt, maakt je gelukkig of ongelukkig, maar de manier waarop je erop reageert, leren we van denkers als Spinoza. En nogmaals, geluk is niet de afwezigheid van pijn en verdriet, maar het omvat pijn en verdriet. Door het beschouwen van je verdriet kun je het misschien nog wel intenser voelen, maar dan zonder dat je erin kopje onder gaat. De instantie in jezelf die ‘weet’ of ‘ziet’ dat je pijn of verdriet hebt, heeft zelf geen pijn of verdriet. Je heldere bewustzijn heeft een milde en liefdevolle blik.

Er is moed voor nodig om te voelen wat je voelt. Om op elk moment van het leven te kunnen zien wat er wel en niet aan de hand is. Om je kwetsbaar op te stellen als je boos bent. Of om je stem te laten horen als je liever weg zou kijken. Om het houvast te laten varen en te kijken wat er dan kan ontstaan. Om boven jezelf uit te stijgen, al is het maar voor even. Om wakker te zijn. Om gelukkig te zijn. Die moed wens ik iedereen van harte toe.

 

 

Vaker inspiratie en verdieping?

Maandelijks sturen we een nieuwsbrief uit. Om je te inspireren met nieuws over onze activiteiten, cursussen, verdiepingsdagen en thema’s waarover we met elkaar nadenken en spreken. Iedereen kan zich aanmelden, of je lid bent of (nog) niet.