Zelfbeschikking over het levenseinde is een hot issue. Dit jaar zijn wij als Humanistisch Verbond betrokken bij twee films en een reeks discussies. Films met sprekende titels als ‘Mag ik dood?’ en ‘Voor ik het vergeet…’ trekken veel belangstelling en deze week zaten de debatzalen weer vol. In de discussiebijeenkomsten van de afdeling Haaglanden van het Humanistisch Verbond en een uitverkochte
Rode Hoed bleek een grote betrokkenheid bij het zelfbeschikkingsrecht over een waardig levenseinde van dementerende ouderen. Ook de schrijvende pers (vooral dagblad Trouw) besteedt er veel aandacht aan.
Het is geen toeval dat het humanisme als levensbeschouwing en het Humanistisch Verbond als organisatie in deze discussie zo’n prominente rol spelen. Er zijn daarbij namelijk drie centrale vragen aan de orde waarop het humanisme een visie heeft, die door zeer veel mensen in deze tijd gedeeld wordt. De drie vragen zijn:
1 Wie beslist? De mens zelf of de staat, de kerk, de medicus, een commissie?
2.Hoe wordt er beslist? Volgens transparante procedures of achter de schermen?
3 Wat wordt er beslist? Welke criteria hanteren mensen bij de beslissingen?
De eerste vraag is bepalend voor de twee andere en elke discussie zou daarmee moeten beginnen. Het humanisme kiest voor zelfbeschikking: de mens moet zelf over het eigen levenseinde kunnen beslissen. Verdere discussies over de procedures en de inhoud van de beslissingen staan in het perspectief van het recht op uiteindelijke zelfbeschikking. Wie dat recht ontkent of bestrijdt, al dan niet op godsdienstige gronden, komt bij de volgende vragen vanzelfsprekend tot heel andere antwoorden. Discussies daarover tussen voor en tegenstanders van het zelfbeschikkingsrecht zijn weinig vruchtbaar. De procedure zal bij de tegenstanders immers gericht zijn op het beperken van de invloed van de patiënt en de keuzemogelijkheden bij de beslissing beperken zich meestal tot varianten op het accepteren en verzachten van het lijden.
Wij kiezen dus voor zelfbeschikking, ook voor mensen die door ziekten beperkt worden in hun intellectuele vermogens. Zelfs mensen met gevorderde dementie of ernstige psychische problemen zijn vaak nog heel lang in staat juist een goed oordeel te vellen over de kwaliteit van het eigen leven op dat moment en de mogelijkheid dat te beëindigen. Wilsbekwaamheid is geen algemene eigenschap maar het is de mate waarin een mens zijn wil kan bepalen bij een heel specifieke beslissing.
In dat licht kiezen wij ook voor procedures en protocollen die dat zelfbeschikkingsrecht beschermen tegen frustratie en misbruik door anderen. Dat kan zijn het frustreren van de uitvoering van de eigen keuze voor levensbeëindiging aan de ene kant en het opdringen van een vervroegd levenseinde aan de andere kant. Mensen hebben bovendien recht op zorg en ondersteuning bij deze beslissingen van professionele zijde. Artsen en andere adviseurs moeten daarbij een actieve en transparante rol spelen en de patiënt niet aan zijn lot overlaten. Omgekeerd moeten zij daarbij niet voortdurend onder dreiging van het strafrecht vallen.
Ook op de derde vraag ‘Wat kan er worden gekozen?’ heeft het humanisme als levensovertuiging mensen wat te bieden. Ons pleidooi voor zelfbeschikking wordt door kwaadwillende tegenstanders nog wel eens uitgelegd als een ‘keus voor de dood’. Dat is onjuist en bovendien onlogisch. Om te beginnen kan zelfbeschikking ook betekenen dat een patiënt een natuurlijk einde afwacht. Veel mensen die geen morele bezwaren hebben tegen euthanasie kiezen daar uiteindelijk voor zichzelf niet voor. Maar bovendien is het humanisme, meer dan de meeste godsdiensten, nu juist zeer gehecht aan het leven voor de dood. Het is ons enige leven en we moeten er zo lang mogelijk, zoveel mogelijk van maken. Bij alle ziekten, aftakeling en andere tegenslagen in het leven pleiten wij voor het krachtig inzetten op ‘Plan A’: alle kansen bieden en pakken op herstel en op het zo lang mogelijk leefbaar houden van de situatie. Kosten noch moeite moeten daarvoor gespaard worden. Het zo lang mogelijk en zo goed mogelijk leven is een mensenrecht. Compensatie van gemiste levenskans in dit aardse leven in een hiernamaals is immers niet waarschijnlijk.
Maar die inzet voor de kwaliteit van het leven vereist ook de mogelijkheid van een Plan B. Wanneer de kwaliteit van het bestaan en de vooruitzichten op herstel onder een voor de mens zelf kritische grens zakt, moet de mogelijkheid geboden worden het leven op waardige wijze te beëindigen. Via professionele hulp bij zelfdoding of via actieve euthanasie door een arts.
De humanitaire zorgplicht moet zowel van toepassing zijn op hen die het lijden accepteren en een natuurlijke dood afwachten, als voor hen die het leven eerder willen beëindigen. Het Humanistisch Verbond zet de strijd hiervoor onverminderd voort in de wetenschap dat het maatschappelijk draagvlak voor onze visie sterk toeneemt en inmiddels een meerderheidspositie is geworden. Maar de praktijk loopt achter en voor veel individuele mensen en hun naasten is er geen tijd meer te verliezen.
Rein Zunderdorp
Gepubliceerd: 14-11-2008