‘Op zoek naar het atelier van Cees Vis wandel ik in de historische binnenstad van Haarlem door nauwe straatjes als de Tuchthuisstraat. De naam prikkelt de verbeelding; gelukkig is het gekerm uit vroeger tijden vervlogen. Een straatje verder bij binnenkomst word ik omringd door opgewekte schilderijen en linosneden. Een kleurenexplosie’, schrijft Annette Brattinga-Aeneae Venema over het werk van deze ambacthelijke kunstenaar.
Zijn werk is een fantasievolle vertaling van gedachten, dromen en soms moeilijke momenten die een knipoog meekrijgen uit een lang mensenleven. In Cees Vis’ beeldtaal worden het vereenvoudigde vrouwen, vogels en andere dieren met de uitnodiging om er een eigen verhaal bij te verzinnen, want de schilder laat dat graag aan de verbeelding van de beschouwer over.Cees Vis (1926) – vele exposities zijn in de loop der jaren aan zijn werk gewijd- herontdekte al weer vele jaren geleden met grote vreugde zijn huidige vrouw.
Samen beheersten zij vele ambachten zoals tapijt weven, tekenen, schilderen, linosneden maken, door haar aangevuld met mooi of nuttig keramisch werk. De kroon op het levenswerk werd het met eigen handen bouwen van een – op het oog – traditioneel huis in de Ardèche. Het was een project van meerdere lange Franse zomers; sprankelende levenskunst spreekt uit alles. Aan de Rijksacademie in Amsterdam kreeg hij vlak na de oorlog o.m. gedurende twee jaar les van professor Röling. De rebelse Jan Sierhuis was een klasgenoot en ook Cees Vis hunkerde naar een nieuwe vormentaal. In 1946 raakte hij onder de indruk van de grote tentoonstelling van Franse wandtapijten in het Rijksmuseum. Als academisch gevormd kunstenaar had Cees Vis wellicht een fijnschilder in de traditionele betekenis kunnen worden als hij in 1947 niet de eerste tentoonstelling van zijn generatiegenoten ‘de Experimentelen’, zoals de schilders van CoBrA toen nog heetten, bezocht had. Het zien van dat werk hielp hem enorm in de dringende behoefte om zelf op den duur ook de gebaande paden te kunnen verlaten.
Toen de gelegenheid zich omstreeks 1951 voordeed solliciteerde hij naar een baan in de Haarlemse werkplaats tot herstel van antiek textiel. Hij leerde er tapijt weven, hield van het handwerk en na een paar jaar ontwierp en weefde hij tot halverwege de jaren zeventig zijn eigen tapijten met zelf gesponnen en geverfde wol. Daarnaast bleef hij schilderen. Veel wandkleden, vooral op landschappen uit de Ardèche geïnspireerd, vonden hun weg naar gezondheidsinstellingen, gemeentehuizen en bedrijfsgebouwen.
Er was nog een ambachtelijke tussenstap nodig om de vrijheid te bereiken en dat werd vanaf 1975 het vervaardigen van linosneden. De techniek – tot soms wel zes drukgangen - dwingt tot opbouwen uit betrekkelijk eenvoudige elementen en biedt de mogelijkheid te reflecteren op het werk in wording: ‘Eerst weet ik niet in welke vorm ik dat moet gieten. Het mag geen illustratie worden. Ik wil het iets universeels geven, dan heeft het ook betekenis voor mensen die er helemaal niets mee te maken hebben. Sommige mensen zien er hetzelfde in als ik, anderen – en dat vind ik haast nog leuker – zien er iets heel anders in. Iedereen maakt er zijn eigen verhaal bij. Dat is goed’
(citaat uit: Cees Vis een ambachtelijk kunstenaar van deze tijd, Uitgeverij Graveen, ISBN 978-90-76241-21-0).
Meer informatie vindt u ook op www.ceesvis.nl
Annette Brattinga-Aeneae Venema