Erasmus, de uitvinder van de ironie

10 augustus 2017

Erasmus, de uitvinder van de ironie

Door Bas Nabers

Satiricus, strijder voor het vrije woord, filosoof, literator, kerkhervormer en kosmopoliet, wat was Erasmus eigenlijk niet? In een tijd van religieuze oorlogen bestreed hij met ironie en humor koningen, kerkvaders, dikdoeners en boekenwurmen. Hij ontzag niemand, ook zichzelf niet.

“Niets is lager dan te censureren wat men niet begrijpt.” Toen humanist Desiderius Erasmus (1466-1536) deze woorden opschreef, wist hij nog niet dat al zijn werk zou worden verboden. Kort na zijn dood verketterde de katholieke kerk zijn oeuvre als een verzameling leugens. De Reformatie was sinds 1517 in volle gang en had de kerk in stukken gebroken. In een sfeer van godsdiensttwisten, groeiend fanatisme en bombastische waarheidsclaims zinde de paus op herstel van zijn gezag. Voor oude criticasters zoals Erasmus was daarom geen ruimte meer. Sterker nog, het zou tot 1900 duren voordat zijn werk van de lijst met verboden boeken werd gehaald en de katholieke kerk enigszins gewend was geraakt aan zijn revolutionaire woorden: “In een vrij land moeten ook de tongen vrij zijn.”

Prins der humanisten

Beladen met boeken reisde Erasmus voortdurend door Europa om mensen te verenigen onder het vaandel van de beschaving. Tegenstanders noemden hem 'Errans Mus' (Latijn voor dolende rat). Voor anderen was hij de 'prins der humanisten'. Tegen de gevestigde dogma’s en strenge zondeleer van de kerk in brak hij als geen ander een lans voor individuele vrijheid, zelfontplooiing en het vrije debat. Zijn motto was: mensen worden niet geboren, maar gemaakt; zij kunnen door onderwijs en zelfstandig denken groeien in naastenliefde, tolerantie en redelijkheid. Daarbij liet hij zich inspireren door de studia humanitatis, dat wil zeggen, de studie naar de grote, antieke filosofen en hun vormingsidealen (vandaar ook het woord ‘humanist’). De christelijke kerk verweet hij dogmatisme en hypocrisie.

"In een vrij land moeten ook de tongen vrij zijn."

Toch probeerde hij het christendom niet af te breken, maar te hervormen. Erasmus geloofde in de macht van het woord en het tij zat aanvankelijk mee: zijn boekje Lof der Zotheid was in 1511 de eerste bestseller van de net uitgevonden boekdrukkunst. Hij adviseerde de jonge prins Karel, de latere keizer Karel V, en stond ondanks zijn scherpe tong op goede voet met de paus. Maar toen de Reformatie de christelijke wereld verscheurde, verdween Erasmus langzaam uit zicht. Hij was een man van de nuance, maar kreeg het verwijt geen keuze te maken. Een zwetser zonder ruggengraat werd hij genoemd. Een boekengeleerde die zich afzijdig hield en niet begreep wat zijn medemensen echt nodig hadden. Onterecht, denk ik. Want hij was juist  lange tijd bezig geweest met de vraag: hoe bied je weerwoord tegen dogmatiek, barbarij en fanatisme, zonder jezelf daartoe te verlagen en zonder mensen in het harnas van hun eigen bubbels, vooroordelen, waarheid en leugens te jagen?

Muggen

Dat is nog steeds een actuele vraag. In zijn beroemde Lof der Zotheid gaf Erasmus een even actueel antwoord: de strijd voor een humane beschaving kan niet zonder humor, satire en een beetje zelfspot. Hij kwam op dit idee toen hij de Alpen overstak. Op de hoge bergpassen bezag hij het menselijke leven vanuit een komisch-kritisch perspectief. “Als men de opschuddingen der stervelingen vanaf de maan kon bekijken, zou men denken een zwerm vliegen of muggen te zien die met elkaar ruziën, strijden, hinderlagen leggen, roven, schertsen, uitgelaten zijn, geboren worden, sneuvelen, sterven. Men kan niet begrijpen wat een drukte, wat een drama’s zo’n klein wezentje veroorzaakt terwijl het zo gauw zal sterven.” In Lof der Zotheid voert Erasmus 'Vrouwe Zotheid' ten tonele, die een lofrede houdt op zichzelf en als een soort komiek het starre denken openbreekt. Want “dezelfde uitspraak die uit de mond van een wijze gekomen, hem zijn hoofd zou hebben gekost, bezorgt, van een gek gehoord, ongelooflijk plezier.”

Hoe grappig ook, Vrouwe Zotheid fileert intussen alle (religieuze) autoriteiten, hoewel nooit bij naam. Zo begint zij over 'iemand die bijzonder getikt – pardon – geléérd was' om vervolgens een verhaal af te steken over filosofen die door hun spitsvondigheden het meest eenvoudige geluk vergeten; bisschoppen die zich hun roeping pas herinneren als er iets te graaien valt; pausen die anderen met het zwaard doorboren zonder iets af te doen aan hun vroomheid en naastenliefde. Tegelijk overstijgt Erasmus steeds de tegenstellingen; hij laat zich voor geen énkel karretje spannen. Dat komt doordat hij 'helemaal niemand met name' kritiseert, maar alle dwaasheden de revue laat passeren, ook de meest alledaagse en onschuldige (zoals een vader die zegt dat zoonlief ‘een beetje loenst’ terwijl hij knetterscheel is). Bijna ongrijpbaar beweegt hij tussen enerzijds bijtende spot en anderzijds het milde advies af en toe een oogje dicht te knijpen. Zonder zelf een duidelijke positie in te nemen, gaat hij via Vrouwe Zotheid op lichtvoetige wijze boven de partijen staan, ongeveer zoals Arjen Lubach dat nu doet. De lezer blijft achter met vragen als: hoe serieus moet ik die Vrouwe Zotheid zelf nemen? In hoeverre identificeert Erasmus zich met haar? Wat moet ik nu eigenlijk van al die dwaasheden vinden? Wat als zelfs het goddelijke ‘dwaas’ wordt genoemd? Zo prikkelt hij lezers om zélf na te denken. Níemand ontkomt aan de Lof der Zotheid

Dit artikel verscheen eerder in HVMAN, het magazine van het Humanistisch Verbond en omroep Human.
Meer over Erasmus? Lees de pagina aan hem gewijd op de Humanistische Canon