Om goed te leven moeten we eerst de natuur, de werkelijkheid, rationeel begrijpen. Wij mensen maken deel uit van deze werkelijkheid. De 'Ethica' van Baruch de Spinoza (1632-1677) wordt vaak opgevat als de kraamkamer van de Radicale Verlichting en daarmee ook van het moderne humanisme. De Ethica heeft als - voor ons wat verrassende - ondertitel 'In meetkundige ordening uiteengezet'.

De Ethica van Benedictus (Baruch) de Spinoza, wordt vaak opgevat als de kraamkamer van de Radicale Verlichting en daarmee ook van het moderne humanisme. De gedachte dat er geen God over ons waakt, was in 1677 radicaal, maar vandaag nog steeds. Want waarop baseren we dan een morele orde? Kunnen we ook zonder persoonlijke en bovennatuurlijke God zedelijk en deugdzaam leven? Zijn we in staat ons leven in te richten zonder de wetten en richtlijnen die de Bijbel of de Koran stellen? En is er dan een democratische rechtsstaat denkbaar, waarin mondige burgers participeren, zonder het bevoogdende gezag van kerken en theocraten?
De Ethica is een gedisciplineerde oefening in redelijk denken. Het beoogt de angst voor goddelijke willekeur weg te nemen, en verschuift de aandacht van het hiernamaals (het transcendente) naar het hier en nu (de natuur). Dat ook een atheïst over het vermogen beschikt zedelijk en deugdzaam te leven, was ooit een verbluffend inzicht, dat nu is doorgedrongen tot diep in de poriën en haarvaten van de westerse cultuur. Sterker nog, dat inzicht geldt vandaag als laatste ijkpunt in het maatschappelijke debat over globalisering, migratie en interculturaliteit.
Spinoza wil met zijn Ethica aangeven hoe de mens gelukkig kan worden en welke gedragsleer daarvoor nodig is. Waren zijn politieke geschriften nog knappe staaltjes van toegankelijk proza, de Ethica forceert een radicale stijlbreuk. Hoewel min of meer praktisch bedoeld, bestaat het boek uit een lange reeks definities, grondwaarheden, stellingen, bewijzen, toelichtingen en uitweidingen. Bovendien hebben de gebruikte termen (zoals vrijheid, God en natuur) een heel specifieke invulling. Moeilijk leesbaar, maar zoals aan het slot van de Ethica staat: ‘Alles wat voortreffelijk is, is even moeilijk als zeldzaam.’
Spinoza begint zijn Ethica met God, ofwel de natuur. God en natuur vallen bij Spinoza samen. Er bestaat maar één substantie. Deze heeft geen bovennatuurlijk of persoonlijk karakter; er is één ondeelbare natuur (ofwel God). Ons verstand kan twee attributen (kenmerken) van die ene substantie onderscheiden: geest en lichaam. De mens zélf bestaat uit de twee vormen die wij kunnen kennen, namelijk het denken (de geest) en uitgebreidheid (het lichaam). De mens is hiermee een modus van lichaam en geest.
Wie gelukkig wil worden, moet kennis over de wereld vergaren en heldere ideeën formuleren. Dit betekent: kennis van de wetten van de natuur. Onwaarheden en dwalingen bestaan vanwege een gebrek aan inzicht in die wetmatigheden. Lees verder op de website van de Humanistische Canon.