
Op 17 oktober 2006 is door een grote meerderheid van de Tweede Kamer de motie van Jan de Vries (CDA) aangenomen. In de motie wordt de minister van Onderwijs gevraagd om uiterlijk voor de Voorjaarsnota 2007 een voorstel tot rijksbekostiging van de docenten godsdienstig en humanistisch vormingsonderwijs op openbare scholen te ontwerpen en aan de Kamer voor te leggen. De minister moet dat doen in overleg met de achttien in dit kader samenwerkende organisaties, waaronder de Stichting Humanistisch Vormingsonderwijs en de Landelijke Vereniging voor Humanistisch Vormingsonderwijs.
De motie van Jan de Vries (CDA) voor een voorstel voor bekostiging van docenten godsdienstig en humanistisch vormingsonderwijs is met een overgrote kamermeerderheid aangenomen. Alleen de SP stemt expliciet tegen.
De bij godsdienstig en humanistisch vormingsonderwijs betrokken organisaties, waaronder de Stichting Humanistisch Vormingsonderwijs (HVO) en de Landelijke Vereniging voor Humanistisch Vormingsonderwijs (LVHVO), zijn blij met de motie. Met rijksbekostiging kan gewerkt worden aan de kwaliteit van het levensbeschouwelijk vormingsonderwijs en kan invulling gegeven worden aan de bekwaamheidseisen die de Wet Beroepen in het Onderwijs stelt. Daarnaast komt er nu voor het eerst uitzicht op een normale rechtspositie (en beloning) voor docenten godsdienstig en humanistisch vormingsonderwijs.
De Tweede Kamer hecht duidelijk belang aan levensbeschouwelijk vormingsonderwijs. In het verslag van de behandeling van de motie svan Jan de Vries taat dat godsdienstig en humanistisch vormingsonderwijs bijdraagt aan een actief pluriform openbaar onderwijs en aan sociale integratie en burgerschap. Belangrijk vindt de Kamer ook dat de Onderwijsraad geadviseerd heeft om voor godsdienstig en humanistisch vormingsonderwijs een landelijke werkgeversorganisatie in te richten en geen principiële bezwaren ziet tegen rijksbekostiging.
Sinds 1970 wordt godsdienstig en humanistisch vormingsonderwijs door de gemeenten betaald. In veel gemeenten is er echter weinig of geen geld voor, en is er dus ook geen godsdienstig en humanistisch vormingsonderwijs. De beloning van de betrokken docenten is maar zelden volwaardig, en bestaat soms uit weinig meer dan een onkostenvergoeding. Professionalisering is daarom een moeilijk thema in het godsdienstig en humanistisch vormingsonderwijs, want hoe kun je professionaliteit vragen als je geen loon kunt bieden? Sinds 1978 worden daarom pogingen gedaan om tot rijksbekostiging te komen. In 2001 kwam het CDA met een motie hiervoor, maar deze kreeg toen niet de steun van een kamermeerderheid.
De overheid is van oudsher tegen rijksbekostiging vanuit het idee dat het openbaar onderwijs neutraal hoort te zijn. Levensbeschouwing is nooit neutraal en hoort daarom niet door de rijksoverheid gefinancierd te worden. In maart 2006 oordeelde de Onderwijsraad echter dat er geen principieel bezwaar was tegen rijksbekostiging.
De komende tijd zal in overleg met het Ministerie van Onderwijs gewerkt worden aan een voorstel voor rijksbekostiging. De minister zal dit voorstel vervolgens aan de Tweede Kamer voorleggen die hierover dan een besluit moet nemen. Dan ook moet komen vast te staan of de Tweede Kamer inderdaad de financiële consequenties wil trekken van de nu door haar ingediende motie.
Gepubliceerd: 20-10-2006