‘Doodgaan was niets voor ons’

29 juni 2016

‘Doodgaan was niets voor ons’

Rond mijn twintigste jaar raakte ik bevriend met een Fransman. Hij was naar Nederland gevlucht nadat hij in zijn vaderland dienst had geweigerd. De studentenkamer die hij voor een maand in onderhuur kreeg, richtte hij in alsof het voor de eeuwigheid was. Hij sauste de muren wit en bracht een groot, kleurrijk figuur op het raam aan. ‘Leef altijd alsof het je laatste dag is’, hield hij mij voor.

Als ik met hem op stap was, gaf ik hem gelijk. Maar terug op mijn eigen kamer hing ik vlijtig boven de boeken in de hoop dat ik in de toekomst iets zou worden. Op een avond ging de telefoon. De Fransman was opgenomen op de afdeling psychiatrie van het Wilhelmina Gasthuis. Nog dezelfde nacht pleegde hij zelfmoord. Niemand wist wat er was gebeurd. Met een paar vrienden begroeven we de Fransman op een Amsterdamse begraafplaats. Een priester zwierde met een wierrookvat rond de kist. Meer mensen waren er niet. Na afloop dronken we een biertje in de Staalstraat.

Geen van ons overwoog om het voorbeeld van de Fransman te volgen. We waren zo anders dan hij, er was geen reden hem na te doen. We leefden iets minder zorgeloos, maar doodgaan was niets voor ons. Morgen is er weer een dag, meenden we, dus waarom doen alsof het je laatste is?

Ook bij latere zelfdodingen was er altijd wel een reden te vinden waarom die persoon er een einde aan maakte en ‘wij’ niet. De zwartgalligheid van de suïcidant, haar gebrek aan vrienden, haar uitzichtloze psychische lijden of haar overgevoeligheid voor het leed in de wereld maakten de zelfgekozen dood tot iets wat bij die ander hoorde. Al waren het drogredenen, het hielp om het verlangen naar de dood op afstand te houden.

Maar wat als de zelfdoder sprekend lijkt op wie wijzelf zijn. Of een bestaan heeft waarop wij jaloers kunnen zijn. Lukt het dan nog om de daad op afstand te zetten? Wat als elke reden die we voor de zelfdoding kunnen bedenken ook voor ons eigen leventje geldt? Slagen we er dan nog in het verlangen naar de dood onder controle te houden?
De zelfdoding van iemand die op ons lijkt, suggereert dat het leven zoals wij dat leiden het niet waard is om tot de laatste ademtocht te worden geleefd. Die suïcide confronteert ons met de zinloosheid van ons bestaan. Als het geen diepere betekenis heeft, is het leven het dan nog wel waard om geleefd te worden?

Zolang je de hoop koestert dat er een doel is, dat er een carrière, partner, kinderen of kleinkinderen wachten, is er reden het leven van alledag vol te houden. Maar als de hoop op een betere toekomst vervliegt, omdat deze onbereikbaar is of omdat je beste tijd voorbij is en het vanaf nu bergafwaarts gaat, dringt de zinloosheid zich op. Zonder doel moet alles van het heden komen. Maar juist een heden zonder toekomst lijkt betekenisloos: je kunt oneindig genieten of lijden, maar het leidt nergens toe.

Ook het verleden verliest aan betekenis, omdat het in terugblik ons iets heeft gebracht wat nu al weer voorbij is. De absurditeit van het menselijk bestaan valt niet langer te ontkennen: zonder toekomst kunnen we niet leven, maar de definitieve toekomst is de dood. Straks is alles afgelopen.

Kan de mens het leven verdragen als hij de absurditeit ervan onderkent? In De mythe van Sisyfus laat Albert Camus een volmondig ‘ja’ horen op deze vraag. Het besef dat de dood de definitieve toekomst is en dat onze vrijheid alleen in dat licht iets betekent, brengt hem tot de uitspraak dat je tegen het absurde in opstand moet komen. Je moet het leven omarmen, juist omdat het betekenisloos is en uitmondt in de dood. Zorg dat je lang leeft, want elk extra jaar geeft je meer en meer diverse ervaringen. Of die ervaringen aangenaam of pijnlijk zijn doet er niet zoveel toe, het gaat hem erom dat je vanuit het bewustzijn van de dood zo lang mogelijk tegen de absurditeit van het bestaan rebelleert.

Camus schreef De mythe van Sisyphus toen hij eind twintig was, de leeftijd waarop zijn Algerijnse vader, Lucien Camus (1885-1914) door het Franse leger werd gerekruteerd en sneuvelde. Of Camus op zijn zestigste nog even levenslustig zou zijn geweest als op zijn dertigste zullen we nooit weten. Zijn opstand tegen de absurditeit kon niet voorkomen dat hij op 46-jarige leeftijd bij een auto-ongeval verongelukte.

Het absurde van dit verhaal is dat als Lucien Camus had geweigerd om in dienst te treden en naar Nederland was gevlucht om zichzelf hier van kant te maken, zijn zoon Albert waarschijnlijk niet bij een auto-ongeval was omgekomen. Wie weet had hij dan een tiental jaar later het voorbeeld van zijn vader gevolgd.
Ik heb nooit kunnen achterhalen hoe de vader van mijn Franse vriend aan zijn einde is gekomen.

Deze stuk is gepubliceerd als colum in HVMAN het magazine van het Humanistisch Verbond en omroep Human