De echte keuze achter de participatiesamenleving

15 oktober 2014

De echte keuze achter de participatiesamenleving

Meer zorgen voor elkaar in de participatiesamenleving is mooi. Maar zonder een fundamenteel andere kijk op informele zorg en meer inzet door mannen zal dat niet lukken.

Want wie gaat de informele zorg leveren? Op dit moment zijn het vooral vrouwen van boven de 45 jaar, constateerde SCP-directeur Kim Putters recent. Het ligt in de verwachting dat de druk op vrouwen aanzienlijk zal toenemen zodra de professionele hulp afneemt. Mannen en jongens willen wel iets doen, maar de informele zorg komt toch vooral bij vrouwen terecht.

Met de inrichting van de participatiesamenleving komt automatisch de rolverdeling van man en vrouw en de culturele status van informele zorg aan de orde. Als we niet willen dat grote groepen vrouwen overspannen worden of minder gaan werken om zorgtaken te verlenen, zullen we de verdeling tussen arbeid en zorg en tussen man en vrouw moeten herzien. Maar hoe?

In het recent gepubliceerde SCP-rapport 'Hulp geboden' wordt over de behoefte aan meer 'waardering' voor informele zorg gesproken. Maar voor waardering alleen zal een man niet minder gaan werken. Waardering is in dat opzicht een verhullende term. Informele zorg levert namelijk feitelijk minder status en aanzien op dan een 'echte' betaalde baan. Als je informele zorg verleent, doe je uiteraard iets, maar het trekt je  – evenals kinderen opvoeden – feitelijk en gevoelsmatig weg uit de ‘echte’ arbeidsparticipatie. De man, of vrouw, die minder gaat werken om meer te gaan zorgen doet geen slimme carrière zet. Afgaand op de maatschappelijke beoordeling is het aardig en sympathiek, maar niet verstandig en eervol.

Of zorgtaken een lagere status hebben omdat vooral vrouwen het doen, of vrouwen zorgen vanwege de lage status, het maakt niet zoveel uit. Feit blijft dat arbeid en zorg niet hetzelfde maatschappelijke aanzien hebben en dat vooral vrouwen de  zorg verlenen. Van een echte keuze tussen zorg en arbeid, en een eerlijke verdeling tussen man en vrouw is vooralsnog dan ook geen sprake.

Als we een geslaagde participatiesamenleving willen, is dit echter wel noodzakelijk. Bovendien is een evenwichtige verdeling tussen zorg en werk voor zowel mannen als vrouwen waardevol.

Want we vergeten het soms, maar ons vermogen om voor elkaar te zorgen is de basis van wat ons tot mensen maakt. Iedereen doet in zijn leven een beroep op andermans aandacht, geduld en bescherming. Als er niet voor ons gezorgd wordt, kunnen we geen evenwichtige en gezonde Individuen worden.

Dat geldt ook andersom: als we geen zorg aan anderen geven, kunnen we geen evenwichtige en gezonde individuen  blijven. Voor iemand zorgen appelleert aan onze sociale en empathische vermogens. Je moet met kwetsbaarheid omgaan, grenzen stellen, verantwoordelijkheid dragen en niet te vergeten, kunnen organiseren en coördineren. Het vraagt uithoudingsvermogen en de kracht om op  een liefdevolle manier stevig in je schoenen te staan.

Anderen verzorgen geeft zowel vrouwen als mannen de kans om onmiskenbaar menselijke en uiterst waardevolle kanten van zichzelf te ontwikkelen en te laten zien. Dat minder werken en meer zorgen - vooral voor mannen - geen aantrekkelijk alternatief is, mogen we vanuit dat perspectief op zijn minst beperkt  noemen.

Het is belangrijk als burgers een kritisch oog te hebben voor onze eigen culturele patronen. Wat vinden we waardevol en eervol en wat niet? Naast overheidsbeleid, zijn ook onze ideeën en idealen aan herziening toe. Pas als we zorg op zijn merites gaan beoordelen en de benodigde menselijke kwaliteiten het aanzien geven dat ze verdienen, kan voor vrouwen en mannen een echte keuze ontstaan tussen zorg en arbeid. Alleen dan klinkt de participatiesamenleving niet humaan, maar wordt zij dat ook.